Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Tag archief: coördinatie

Moedig jongleren

Hoe vaak heb ik wel niet gehoord: “Je bent een jongleur. Wow! Dan moet je wel een hele goede coördinatie hebben”
Ondanks mijn vaardigheden, heb ik hierover altijd een ongemakkelijk gevoel gehad. Ik bedoel: ik speel geen piano of gitaar. Sportief gezien ben ik maar middelmatig atletisch. Ik zou niet direct “een goede coördinatie” op mijn cv zetten of bij een sollicitatie noemen.

Onlangs gaf ik een paar uur jongleerles op een lokaal festival. Zoals velen keek ik naar de kinderen die naar me toe snelden, stonden te popelen om het te proberen en blij waren met de minste of geringste progressie van hun vaardigheden. Hun ouders stonden erbij, waakzaam en gelukkig voor de kinderen, maar wel iets ongemakkelijk. Er stond niet aangegeven dat deze les niet voor hen bestemd was. Toch bleven ze daar staan met hun leeftijd en mislukkingen in het verleden als excuus om het niet te proberen. Het schoot mij te binnen dat het bij jongleren in wezen niet om coördinatie gaat, maar om moed.

In een baanbrekend psychologisch onderzoek ontdekte Barbara Brown dat het merendeel van de angst die wij ervaren, voortvloeit uit de afkeuring die wij van anderen verwachten. De angst om dwaas of ontoereikend voor te komen, kan iemand die gewoonlijk actief en succesvol is, verlammen. Denk eens hoe het leren jongleren het beeld van dwaasheid en ontoereikendheid oproept. Geen wonder dat volwassenen aarzelen om het te proberen.

Op een bijeenkomst van een jongleerclub is het gemakkelijk om de nieuwe leden te onderscheiden van de oudgedienden. De nieuwe zijn bang, terwijl de “jongleurs” de moed laten zien die nodig is om nieuwe en potentieel succesvolle trucs te proberen. Met behulp van deze criteria lijkt het kind dat in de handeling van de eerste worp opgaat, op de jongleur die ik ben. Niemand zou beweren dat het kind een goede coördinatie heeft. Maar ik weet dat we een band hebben. We behoren tot diegenen die niet bang zijn om te falen of als ontoereikend voor te komen. In die zin zijn we moedig en profiteren we van de voordelen van dat gedrag – een groter gevoel van eigenwaarde en de bewondering van anderen. Realiseert het publiek zich dit? Natuurlijk! Juichen ze niet het hardst als we iets gevaarlijks doen, zelfs als daar niet de vaardigheid van andere trucs voor nodig is?

Met dit in het achterhoofd zijn de implicaties voor het leren jongleren duidelijk. Carlo en Gelb pleiten er voor dat de beginner “bevriest” in plaats van de ene fout in de andere te vervallen. De leertheorie kan de effectiviteit hiervan verklaren, maar het is ook duidelijk dat het niet achterna rennen van je gevallen ballen, het voorkomen van dwaasheid vermindert. Dit maakt het hoge percentage gevallen ballen makkelijker te accepteren.

De volgende keer dat je een andere persoon iets leert, of zelf iets nieuws leert, denk dan aan de moed die nodig is om iets nieuws te proberen, en nodig falen uit in je leven. Beloon je studenten voor de moed die nodig is om de truc te leren. Ze zullen het dan eerder blijven proberen, evenals jij zelf. Op een dag zul je dan horen, “Je bent een jongleur? Wow! Je moet echt dapper zijn!”

Auteur: Barrett L. Dorko
Eerder gepubliceerd in Juggler’s World
Bron: http://www.creative-science.org.uk/juggle.html

Beweging houdt het brein fit

Lichamelijke activiteit is goed voor het brein. Wie kent die reflexen niet, wanneer je bijvoorbeeld iets heets aanraakt? Op dat moment gaat er een signaal naar de hersenen. Die sturen op hun beurt pijlsnel een signaal terug naar de spieren: terugtrekken die hand! Zo’n beweging gaat bijna automatisch. Bijna niemand realiseert zich dat de hersenen de basis vormen voor het aansturen van de spieren. Reden genoeg voor de Hersenstichting om de Nationale Hersenweek in 2008 het motto Hersenen in beweging mee te geven.
Prof. dr. Peter Beek van de faculteit Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit was één van de sprekers tijdens de Hersenweek.

Uit onderzoek van de Universiteit van Dublin blijkt dat bewegen goed is voor het brein. Door [intensieve] inspanning komt in de hersenen een stofje in actie met de naam BDNF [Brain Derived Neurotrophic Factor]. Dat eiwit bevordert niet alleen de vorming van nieuwe hersencellen en de verbindingen daartussen, maar er gaat ook een preventieve werking vanuit: het helpt hersencellen te overleven. Zo heeft lichamelijke activiteit mogelijk een gunstig effect op het voorkomen van ziekten als die van Parkinson en Alzheimer.

Prof. dr. Peter Beek plaatst wel een kanttekening bij de relatie tussen hersenen en bewegen. Volgens hem is niet alleen lijfelijke inspanning belangrijk. Voor de hersenen is een combinatie van lichamelijke én geestelijke training, het beste.

Beek: “Die twee moeten samengaan of elkaar afwisselen. Allebei zorgen ze voor een continue reuring in het brein, waarbij cellen met elkaar wedijveren om bij een activiteit betrokken te raken. Onderzoek aan onder meer de VU wijst uit dat bij een hersenbeschadiging gedeeltelijk herstel kan ontstaan door zowel het lichaam als de hersenen te trainen. Wie een leven lang intensief heeft bewogen én gedacht, met een gezonde geest in een gezond lichaam, is bijvoorbeeld beter bestand tegen de gevolgen van een beroerte dan iemand die dat niet heeft gedaan.”

Volgens Beek hebben alle manieren van bewegen een positief effect op het brein, of het nu om voetbal, tai chi of dansen gaat. Bewezen is dat bewegen goed is voor bot- en spiercellen. Maar, zo blijkt uit onderzoek van het Salk Instituut in Californië, bewegen heeft waarschijnlijk ook een gunstige uitwerking op zenuwcellen. Momenteel doet onder andere het Universitair Medisch Centrum te Utrecht hier nader onderzoek naar. Eén ding staat vast: dagelijks komen er nieuwe hersencellen en verbindingen bij en worden er oude opgeruimd.

“Het brein is geen statisch geheel zoals lang werd gedacht,” zegt Beek. Sommige cellen zijn succesvol en gaan een functionele eenheid vormen, andere cellen bezwijken. Deels hebben we zelf in de hand hoe onze hersenen zich ontwikkelen. Je bent hoe je beweegt, zal ik maar zeggen. Het brein is qua structuur een optelsom van de dingen waartoe we ons hebben gezet. Om een leven lang te kunnen leren, zijn de hersenen voortdurend in ontwikkeling.”

De hersenen hebben verschillende functies. Evenwicht, coördinatie en concentratie zijn de belangrijkste. Door middel van oefeningen kunnen we deze hersenfuncties trainen. Zo zijn wandelen en nordic walking [langlaufen zonder sneeuw], effectieve middelen om te werken aan meer balans. Van wandelen is al aangetoond dat het helpt tegen depressies. Ook jongleren is goed voor de hersenen. Dat blijkt volgens Beek uit onderzoek aan de Duitse Universiteit van Jena, waarbij 24 studenten in twee groepen waren verdeeld.

“De eerste groep leerde drie maanden lang jongleren, de tweede groep ging gewoon naar college. Van alle proefpersonen werden voor en na het leren de hersenen gescand, en bij de tweede groep waren geen veranderingen waarneembaar in het brein. Bij de jongleursgroep daarentegen bleek zich meer grijze stof in de hersenen te bevinden; het deel van het centraal zenuwstelsel dat de neuronen [zenuwcellen] bevat.

De kersverse jongleurs gingen handiger om met de verwerking van visuele informatie, zoals het inschatten van afstanden bij het gooien van ballen. Jongleren blijkt dus goed voor het vergroten van inzicht. Bovendien prikkelt het het voorstellingsvermogen, net als musiceren, schilderen en borduren, ook vaardigheden waarbij precieze handcoördinatie samen gaat met concentratie.

Binnen de hersenwetenschap wordt de laatste tijd veel studie gedaan naar taken die met twee handen worden uitgevoerd [bimanuele coördinatie]. Interessant is dat de bewegingen van de handen niet onafhankelijk van elkaar geschieden, omdat de hersenhelften elkaar beïnvloeden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het “spiegelbewegingeffect”, wanneer een jong kind een éénhandige taak moet uitvoeren. Heeft het in allebei de handen een balletje vast, en moet het in één ervan knijpen, dan zal het meestal automatisch ook in het andere knijpen.

Beek: “Dat is een uiting van communicatie tussen de hersenhelften. Om een dergelijke taak te kunnen uitvoeren, moeten je hersenen deze beïnvloeding leren onderdrukken. Kinderen kunnen dat pas vanaf een jaar of tien, wanneer de verbinding tussen de hersenhelften is volgroeid. Doordat die helften niet onafhankelijk werken, zijn taken waarbij de handen elk een eigen beweging uitvoeren meestal lastig. Denk aan met beide handen een ander ritme drummen of verschillende ruimtelijke figuren maken.”

De handen gelijk op en neer bewegen, en recht tegen elkaar in, zijn bimanuele taken die de mens bevallen. Met andere patronen hebben we meer moeite. Onze hersenen zoeken een bepaalde eenvoud. Dat neemt niet weg dat we zelfs moeilijke taken, zoals jongleren, toch kunnen aanleren. Al is het maar omdat onze hersenen erom vragen.

Bron: Algemeen Dagblad, 26 april 2006

De voordelen van het leren jongleren bij kinderen

Dave Finnegan is jongleur en antropoloog en heeft verschillende boeken geschreven over jongleren en de impact daarvan. In dit ‘klassieke’ artikel gaat hij in op de voordelen van het inpassen van jongleren in het onderwijs. 

Voordelen op het gebied van conditie, motorische vaardigheden, balans en coördinatie

Leerlingen kunnen beginnen met het verwerven van pre-jongleer vaardigheden in de basisschool door te leren gooien en vangen van grote, kleurrijke, langzaam bewegende nylon doekjes. Zodra het gooien en vangen routine wordt, kan je voor de meeste spelletjes, waarvoor je normaal een balletje of pittenzakje zou gebruiken, een nylon doekje gebruiken. Denk maar aan het doekje als een “bal met zijwieltjes.”

Het jongleren met doekjes vordert stapsgewijs van één, naar twee, naar drie. Het gooien van doekjes vereist grote, vloeiende bewegingen. De kinderen krijgen een grote cardio-vasculaire en pulmonale impuls wanneer ze met doekjes jongleren; ze activeren de grote spieren dicht bij het hoofd en het hart. Ze vinden het jongleren met doekjes een hele klus maar beleven er tegelijkertijd veel plezier aan. Zodra ze doorstromen naar pittenzakjes, balletjes of andere snel bewegende voorwerpen, zijn ze niet alleen in beweging zijn door het gooien, maar ook door het bukken om de gevallen voorwerpen op te rapen. Zodra een leerling echt kan jongleren, kan die gaan ‘trainen’ met zwaardere of omvangrijkere voorwerpen zoals zware ballen, basketballen of andere voorwerpen die kracht vergen terwijl ze ook aandacht en beweeglijkheid verbeteren.

Het gooien en vangen kan op muziek worden gedaan. Je kunt verschillende soorten muziek gebruiken om kinderen een gevoel voor ritme en een natuurlijke ‘beat’ bij te brengen. Door te laten overgooien, kunnen de leerlingen aan een groepsactiviteit deelnemen waarbij concentratie en aandacht nodig is en het ritmegevoel versterkt wordt.

Terwijl leerlingen leren jongleren, leren ze tegelijkertijd ook balanceren. Het is van vitaal belang om kinderen de kans te geven om zowel hun dominante als niet-dominante hand te gebruiken. Bij jongleren gebeurt dit automatisch. Vanaf het allereerste begin moeten de ogen de voorwerpen volgen en overschrijden ze voortdurend de grens tussen linker en rechter blikveld. Tweehandigheid is van vitaal belang om echt te jongleren. Jongleurs worden grotendeels tweehandig en dit is gunstig voor leerlingen wanneer ze aan andere sporten deelnemen.

Als het jongleren beter gaat, zullen ook de gooi- en vangvaardigheden verbeteren evenals de hand-oog coördinatie. Leerlingen die leren jongleren, zullen ook andere vaardigheden gemakkelijker verwerven, gedeeltelijk als gevolg van verbeterde reflexen en de hand-oog coördinatie, en deels omdat ze hebben geleerd om te leren. Ze verkrijgen hun jongleervaardigheden stap voor stap en dit kan als voorbeeld dienen om te begrijpen hoe ze andere vaardigheden kunnen verwerven.

Voordelen voor gedrag, omgang met anderen en houding

Een klassikaal jongleer programma geeft docenten extra controle over het gedrag van de kinderen. Zodra pauzes om te jongleren zijn ingeroosterd, kan het een krachtig hulpmiddel worden om de aandacht van leerlingen voor een taak en de sfeer in de klas te verbeteren. Vooral fysiek actieve leerlingen zullen voorstander zijn van jongleer pauzes. Deze groep bevat waarschijnlijk de leerlingen met de grootste gedragsproblemen. Deze leerlingen kunnen wellicht uitblinken in jongleren, waar ze niet kunnen uitblinken op school. Zij hebben behoefte aan pauzes om te bewegen en zullen het meest profiteren van het jongleren.

Jongleren geeft leerlingen een manier om met elkaar communiceren door samen aan een groepstaak te werken, door vaardigheden uit te wisselen en door elkaars vooruitgang te volgen. Ze krijgen aandacht van familie en vrienden als ze hun vaardigheden laten zien En ze krijgen respect en maken nieuwe vrienden wanneer ze die vaardigheden aan anderen onderwijzen. Zoals een leerkracht eens opmerkte: “We hebben veel nieuwe kinderen op deze school. Ze kijken naar het jongleerprogramma, raken er betrokken bij en hebben meteen vrienden. Het is geen trucje, het is gewoon een prachtige manier om het gevoel van eigenwaarde te verbeteren. Door dit programma hebben wij een grote groep kinderen kunnen doorleiden naar de middelbare school … “

Leerlingen die het stap-voor-stap leersysteem van jongleren begrijpen, doen het goed in al hun andere vakken omdat ze niet ontmoedigd raken. Ze verbeteren hun houding ten opzichte van het leren van nieuwe vakken en het verwerven van nieuwe vaardigheden. Ze aarzelen niet om uitdagingen aan te gaan, net zoals zij de uitdaging van het leren jongleren hebben aanvaard. Deze houding van vertrouwen en acceptatie van risico’s geeft de leerlingen die betrokken zijn bij een jongleerprogramma een zekere voorsprong op degenen die dat niet zijn.

Wanneer leerlingen zover zijn en met succes optreden voor volwassenen of andere leerlingen, neemt hun gevoel van eigenwaarde enorm toe. De sleutel tot een verhoogde zelfwaardering is de realisatie van je eigenwaarde, en niets brengt kinderen hier dichterbij dan lof en applaus van leeftijdsgenootjes en volwassenen. Een facet van het jongleerprogramma is dat iedere leerling voortdurend aan vrienden en ouders kan laten zien wat het kan. In het programma wordt de leerlingen ook de mogelijkheid geboden om jongleervoorstellingen te organiseren waardoor de podiumpresentatie van de leerlingen en de cohesie op de school verbeteren. Het verbeterde zelfbeeld leidt tot meer inzet voor zowel motorische als intellectuele uitdagingen, waardoor een zichzelf versterkend systeem wordt gecreëerd.

Leerstijlen en het stimuleren van het leerproces

Scholen zijn in toenemende doordrongen van het feit dat leerlingen tal van uiteenlopende leerstijlen hebben. Toch vinden nog veel leraren het moeilijk om te werken met diverse stijlen, met name die het verst van hun eigen stijl afstaan. Het is interessant dat de leerstijlen waarmee de zeer verbale en ‘bureaugerichte’ leerkrachten het moeilijkst mee kunnen werken in het traditionele klaslokaal, de stijlen zijn die het eenvoudigst zijn toe te passen in een jongleerprogramma. Ruimtelijk georiënteerde leerlingen visualiseren graag jongleerpatronen.  Ze leren goed met video’s en houden er van om de jongleerpatronen te doorgronden met behulp van hun ‘innerlijk oog’. Muzikale leerlingen genieten van het ritmische karakter van jongleren. Lichamelijk en kinesthetisch georiënteerde leerlingen waarderen de mogelijkheid om in beweging te komen op een georganiseerde manier, de interactie met de ruimte en verkrijgen kennis door middel van lichamelijke gewaarwordingen. Sociaal gerichte leerlingen houden van de mogelijkheden van het uitwisselen, vergelijken, verbinden en samenwerken dat jongleren, en uiteindelijk een uitvoering, biedt. Zelfs naar binnen gerichte leerlingen kunnen betrokken raken bij jongleren als ze alleen kunnen werken, hun eigen doelen stellen, hun eigen interesses nastreven, en werken in hun eigen tempo en ruimte.

Het is zeker opmerkelijk dat leerlingen die goed zijn in logica en wiskunde, al lang geassocieerd worden met jongleren. Wetenschappers en onderzoekers die werken met computers, en met name wiskundigen, zijn oververtegenwoordigd bij de beste jongleurs. De deelnemers van jongleerfestivals hebben vaak een wetenschappelijke graad. Bell Labs, Microsoft, MIT, Stanford en Apple Corporation hebben allemaal al jarenlang een jongleerclub. Zelfs het internet heeft een enorme interesse in jongleren laten zien. Al meer dan 55.000 mensen hebben de jongleerinformatiedienst op internet bezocht. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het experimentele karakter van de kunst, waar beoefenaars patronen en relaties moeten uitvinden, werken met numerieke concepten, vragen stellen, complexen problemen verkennen en deze logisch oplossen.

Zelfs taalgerichte leerlingen kunnen worden betrokken bij jongleren, als zij er vroeg genoeg mee in aanraking komen Er is voldoende werk voor ze te doen in het presenteren of het vastleggen van de geschiedenis van de kunst. Poëzie of het vertellen van een verhaal bij het jongleren kan de manier zijn waarop deze ‘woordspelers’ kunnen worden betrokken.

Het lijkt riskant om dertig leerlingen los te laten in een klaslokaal met negentig voorwerpen (of meer) in de buurt om ermee te gooien, maar het tegendeel is waar. Jongleerbewegingen zijn klein en heel geconcentreerd. Leerlingen moeten enige zelfdiscipline hebben om goed mee te doen en leren al snel dat het jongleren beter gaat als ze zich beheersen. Geconcentreerd gedrag wordt automatisch beloond met succes. Het stap-voor-stap paradigma dat gebruikt wordt om te leren jongleren, kan gebruikt worden door de leraar als een model voor het leren van elke vaardigheid of vorm van discipline die dezelfde strategie vereist.

Voordelen op academisch terrein

Onderzoek heeft aangetoond dat er een directe relatie bestaat tussen hand-oog coördinatie en het vermogen om te lezen, schrijven en redeneren. Er zijn sterke aanwijzingen voor een relatie tussen jongleren aan de ene kant en lezen, wiskunde, schrijven en andere persoonlijke gebieden aan de andere kant. Het meest overtuigende bewijs voor een relatie komt tot nog toe naar voren uit het werk van dr. Carole E. Smith, specialist in lichamelijke opvoeding, Haar werk laat zien dat door te leren jongleren zowel het schrijven als de leesvaardigheid verbetert. Haar onderzoek bevestigt het gedachtegoed van Maria Montessori en Jean Piaget, die beiden de hypothese hadden dat grove motoriek en de tactiele sensatie cognitief leren bevorderen. Als elke leerling leert om te jongleren in de basisschoolleeftijd en ze voortdurend beloond worden om hun jongleervaardigheden te verbeteren, dan moeten hun academische prestaties dienovereenkomstig verbeteren.

Onderzoek toont ook aan dat als leerlingen regelmatig opstaan en energiek bewegen, ze theoretische vakken weer fris oppakken en dan beter leren. Wanneer jongleren als centraal thema wordt gebruikt, kan een klassikaal fitness programma in de pauzes door de leerlingen zelf worden opgezet en geleid. Omdat elke leerling in z’n eigen tempo werkt, met z’n eigen materiaal, en in een omgeving die prestatie en inspanning beloont, is de activiteit volledig veilig en zal deze niet verstorend werken. Jongleren is als het hebben van een rechter hersenhelft pauze in een linker hersenhelft dag’. Het is ‘low-impact aerobics’, waardoor de grote spieren dicht tegen het hoofd en het hart ritmisch en energiek geactiveerd worden, zodat bloed naar de hersenen gepompt wordt.

Een groot deel van de kinderen komt als ‘hangjongere’ naar school en de typische schoolomgeving maakt een ‘brave stilzitter’ van hen. Door het creëren van een verbinding tussen de school en de gymnastiekzaal of speeltuin, kan de leraar de leerling zien als een heel persoon, niet alleen als een ‘leerhoofd’. Vaardigheden kunnen worden geleerd die elke dag gretig op school zullen worden beoefend en elke avond en in het weekend thuis. Het is een leeractiviteit waar je je hele leven lang mee bezig kunt blijven. Jongleren brengt geen teamsport of competitie met zich mee. Het gaat om individuele vaardigheden en samenwerkingsactiviteiten die door de leerlingen in hun eigen tempo worden ontwikkeld.

Als leerlingen worden betrokken bij het onderwijs en evaluatieproces, leren ze veel meer dan wanneer ze gewoon onderwijs van een leraar krijgen in een vaardigheid of onderwerp. Het jongleerprogramma van Dave Finnigan is ontworpen om te worden ingeleid door een leraar, maar wordt beheerd door de leerlingen zelf. Het is niet nodig dat de leraar ook weet hoe je moet jongleren, maar dat zal bijna altijd het geval zijn, ongeacht wat de eerdere ervaring van de leraar met fysieke activiteiten is. Er zijn verschillende instructievideo’s voor kinderen die afgespeeld kunnen worden waardoor leerlingen direct mee kunnen doen met de kinderen op de video. Dit onderwijsprogramma voor kinderen bevat het formuleren en monitoren van doelen, waarbij leerlingen elkaars vooruitgang op een leuke en ongedwongen manier kunnen evalueren. Er zit geen negatief stigma op falen in deze evaluatie. Omgekeerd is er een grote mate van positieve beloning die inherent is aan samenwerken, doorzettingsvermogen, en het uiteindelijk verwezenlijken van de doelstelling. Discipline en regelmatig oefenen zijn natuurlijke resultaten van het proces, net zoals wanneer een groep vrienden elkaar uitdaagt om te leren skateboarden, frisbee gooien of hacky-sack spelen. Leren jongleren maakt gebruik van een stap-voor-stap zelfregulerend probleemoplossend systeem met automatische beloning op alle niveaus van prestatie.

Er zijn geen verliezers in dit proces, alleen maar winnaars!

Omdat je alleen stap voor stap kunt leren jongleren is jongleren is een geweldig model voor leren in het algemeen. Jongleervaardigheden nemen continu toe en leerlingen kunnen hun vorderingen zien en waarderen alsook de vordering van anderen vanaf de eerste les. Het is een activiteit die deelnemers onmiddellijk beloont voor oefening waarbij de opbrengsten rechtevenredig zijn met de duur en de kwaliteit van de inspanning. In dit verband is jongleren net als het oefenen van lezen, spelling of wiskunde. Op dit cumulatieve stapvoor stap leerproces kunnen leerlingen herhaaldelijk worden gewezen.

Leraren zouden jongleren en theorie in de volgende projecten met elkaar in verband kunnen brengen:

1. Het lezen van of maken van verslagen van boeken over het circus of de geschiedenis van het jongleren. 2. Het bijhouden van een dagboek van prestaties en records, waarbij wordt ingegaan op de frustraties en vorderingen. 3. Het uitzenden van leerlingen naar andere, nabijgelegen scholen om daar andere leerlingen te leren jongleren. 4. Het uitzenden van leerlingen naar bijeenkomsten in de wijk of van het onderwijs om ze daar te laten optreden. 5. Het deelnemen aan een jongleerfestival met de hele klas 6. Het maken van een excursie naar een circus om daar achter de schermen jongleurs te ontmoeten. 7. Het organiseren van jongleer spelletjes op de jaarlijkse sportdag. 8. Het maken van video ‘Hoe leer je jongleren?’ als klassikaal of individueel project.

En waarom zou je niet een eigen onderzoek doen naar de relatie tussen jongleren en lezen, gedragspatronen en andere zaken? Kijk of het lezen beter gaat als leerlingen zich beter kunnen concentreren en bij hun taak kunnen blijven. Je zult een daling van storend gedrag zien en verrast zijn om te ontdekken dat je beste jongleurs niet noodzakelijkerwijs de meest atletische leerlingen zijn. En je dacht dat jongleren iets was dat je alleen in het circus zag…

 

Bron: The benefits of learning to juggle for children

De voordelen van het gebruik van jongleermaterialen op scholen

Jongleermaterialen, in het bijzonder jongleerballen, diabolo, devil sticks en poi’s, hebben een antropologische achtergrond en illustreren het menselijk vermogen om te spelen. De laatste tijd is de kunst van het jongleren in populariteit gestegen dankzij de erkenning van de  waarde ervan. Er is een breed scala van voordelen die samenhangen met het gebruik van deze materialen in het onderwijs, dat zich uitstrekt van de intellectuele en fysieke ontwikkeling van leerlingen tot de emotionele en sociale aspecten bij lichamelijke opvoeding. Dit artikel geeft een analyse van de haalbare voordelen van integratie van het gebruik van jongleermaterialen in het lesprogramma en bij lichamelijke opvoeding op scholen.

 6000 jaar oud
De vaardigheden van de hedendaagse jongleerkunst hebben hun wortels diep in de inheemse tradities van vele culturen. Vanaf hun verre oorsprong, die in ieder geval teruggaat tot het Egypte van 4.000 jaar geleden, zijn wereldwijd jongleertechnieken ontwikkeld en dat heeft, met name in de laatste twee eeuwen, geleid tot de moderne instellingen die bekend zijn om hun jongleren. De laatste tijd is de kunst van het jongleren steeds populairder geworden en heeft wetenschappelijke aandacht gekregen, omdat de waarde van deze activiteiten steeds beter wordt begrepen. Het proces van leren jongleren blijft niet beperkt tot het perfect uitvoeren van één bepaalde taak, maar wordt met vele aspecten van ontwikkeling en sociale interactie in verband gebracht, met name bij de opvoeding van kinderen. Dit artikel geeft een overzicht van de voordelen van het gebruik van jongleermateriaal, zoals jongleerballen, diabolo, devil stick, poi’s, in het lesprogramma en bij lichamelijke opvoeding. Het gebruik van deze materialen is bekend onder verschillende namen, bijvoorbeeld ‘circusspel’ of ‘kleine circustechnieken’, maar hieronder wordt het allemaal ‘jongleren’ genoemd. Dit onderzoek verkent vier categorieën van voordelen van het jongleeronderwijs voor leerlingen, in het bijzonder de intellectuele, fysieke, sociale en emotionele voordelen, samen met een korte bespreking van de voordelen voor bredere schoolgemeenschappen.

Jongleren op scholen
Het gebruik van jongleermateriaal is voor scholen een toegankelijke en praktische activiteit, omdat het materiaal betaalbaar, veilig, duurzaam en compact is en door de onderwijzers eenvoudig op te slaan en te vervoeren is. Voor jongleren is alleen de gebruikelijke locatie voor lichamelijke opvoeding nodig, binnen of buiten, om een alternatief te bieden voor lichamelijke activiteiten op een regenachtige dag. Scholen die jongleren in hun schoolse en buitenschoolse activiteiten integreren, vergroten voor leerlingen ook het aantal mogelijke onderwerpen op wiskundig, wetenschappelijk, fysiek en artistiek vlak. Bovendien zijn jongleeractiviteiten goed toegankelijk voor alle leerlingen en bieden ze oneindig veel mogelijkheden voor leerlingen met verschillende niveaus, behoeften en leerstijlen. Introductie van jongleren draagt bij aan een betere sfeer op school en verhoogt de prestaties en de uitstraling van de school. Het grootste voordeel voor scholen is echter de ontwikkeling van de belangrijkste elementen binnen hun organisatie: de individuele leerlingen.

Intellectuele voordelen
Hoewel de talrijke voordelen van jongleren in veel categorieën vallen, zijn de intellectuele prestaties van de leerlingen misschien wel het meest opvallend. Intellectuele capaciteiten die met behulp van jongleren ontwikkeld worden, hebben vergaande toepassingen, vooral bij alfabetiserings, cognitieve, psychologische en onderwijskundige vaardigheden. Jongleren integreert en ontwikkelt fundamentele cognitieve vaardigheden, zoals kritische analyse, conceptualisatie van modellen, ruimtelijk inzicht en begrip van patronen, ritme en reeksen. De bredere toepassing hiervan ondersteunt de ontwikkeling van wetenschappelijke en wiskundig analytische vaardigheden. Deze voordelen liggen in het bereik van alle leerlingen  ongeacht leerstijl, sterkte en intellect , met inbegrip van verbaal, ruimtelijk, muzikaal, kinesthetisch, intra- en interpersoonlijk leren.

In termen van directe schoolprestaties bevordert jongleren een aantal onderwijskundige deugden zoals concentratie, geduld, doelgerichtheid en doorzettingsvermogen. Jongleren moedigt bijvoorbeeld leerlingen direct aan om zich te concentreren op specifieke taken, een voordeel dat bijdraagt aan een betere concentratie bij andere vakken. Leerlingen oefenen ook geduld en volharding bij het jongleeronderwijs, omdat beloning en vordering in kleine stapjes gaan en afhankelijk zijn van hun inzet. Zo wordt doorzettingsvermogen versterkt bij de leerlingen wanneer ze ‘met specifieke taken bezig blijven’, terwijl veerkracht wordt ontwikkeld via natuurlijke fouten waaruit de leerlingen ‘terugveren‘. Doelgerichtheid is inherent aan jongleren; leerlingen leren begrijpen dat ze doelen moeten stellen om concrete prestaties te bereiken.

Gezien deze factoren, is het geen verrassing dat jongleren in verband wordt gebracht met betere schoolprestaties van leerlingen. Wegens de omvang en de diversiteit van mentale middelen die nodig zijn bij jongleren, heeft het ook voordelen voor specifieke vakgebieden, zoals muziek, wetenschap, kunst, wiskunde, lichamelijke opvoeding en podiumkunsten. Uit onderzoek is gebleken dat het gebruik van jongleermateriaal gekoppeld is aan verbeteringen van zowel lees- als schrijfvaardigheid. Deze verbeteringen zijn toegeschreven aan een betere ‘tracking’, dat wil zeggen het met de ogen volgen van objecten, en aan de verbetering van de fijne motoriek. Andere onderwijskundige voordelen zijn verbeteringen in leervermogen. Wanneer leerlingen bijvoorbeeld tijdens een pauze fysiek actief zijn, kunnen ze daarna hun schooltaken weer verfrist oppakken waardoor ze beter leren. Het is een ‘rechter hersenhelft pauze in een linker hersenhelft werkdag’, een fenomeen dat met jongleren eenvoudig benut kan worden.

Leervermogen wordt ook bevorderd door meer waardering voor de processen die betrokken zijn bij leren en onderwijzen. Jongleren versterkt het vermogen van deconstructieve en reconstructieve vaardigheden en activiteiten, een deel van het logisch categoriseren en benoemen dat gepaard gaat met leren. Het toepassen van jongleren impliceert inzicht in de educatieve benadering van elke taak, waardoor leerlingen vaardigheden ontwikkelen zoals ‘leren leren’. Als gevolg van het leren hoe je moet leren en communiceren, wordt het brede scala van de intellectuele voordelen dat jongleren biedt, versterkt. Deze voordelen worden door aanhoudende oefening continu versterkt. Als het jongleren structureel is opgenomen in het lesprogramma van een leerling, dan is het leerproces cumulatief.

Lichamelijke voordelen
Jongleren, gebaseerd op fysieke activiteit, heeft voor leerlingen zowel brede als complexe fysiologische en psychologische voordelen. Tot de veelomvattende fysiologische effecten behoren coördinatie, tweehandigheid, lichamelijke conditie, balans, ritme, reflexen en psychomotorische vaardigheden. Aan de andere kant zijn er subtiele maar belangrijke psychologische effecten, met name activiteit van de linker- en rechterhersenhelft (bilateraliteit) en selectieve toename van de grijze hersenmassa.

Jongleren vereist en onderhoudt een zeker niveau van conditie en behendigheid met betrekking tot de beheersing van de materialen. De repetitieve bewegingen van het gooien, vangen, bewegen en tillen bouwen spieren op en zorgen ondertussen voor een cardio-vasculaire en pulmonale training. Jongleren is een alternatief voor conventionele sporten zoals ‘low-impact’ aerobics. Door de ritmische en energieke bewegingen worden de grote spieren dicht tegen het hoofd en het hart getraind en wordt het bloed naar de hersenen gepompt. Al snel ontwikkelt zich tweehandigheid dat direct voordeel oplevert bij fysieke activiteiten, vooral bij andere sporten. Voortdurende interactie met de jongleermaterialen verbetert de balans, timing en reflexen, met name de door de hersenen gecontroleerde coördinatie, wat resulteert in een beter lichamelijk bewustzijn. Psychomotorische vaardigheden met betrekking tot de grove en fijne motoriek verbeteren ook door het gebruik van jongleermaterialen.

De ontwikkeling van de hersenen door het jongleren resulteert in veel psychologische voordelen voor leerlingen, en wordt versterkt door bilaterale activiteit, waardoor beide zijden van de hersenen zich ontwikkelen en het creatieve en analytische potentieel wordt geactiveerd. Auteur Dave Finnigan belicht dat tweehandigheid is inherent aan jongleren: Als mensen leren jongleren, gebruiken ze de linkerkant van hun hersenen, wanneer ze het kunnen, de rechterkant. Als ze een tijdje aan het jongleren zijn, zijn beide zijden van de hersenen actief. Doordat beide hersenhelften erbij betrokken zijn, doet jongleren een beroep op meerdere intelligenties, links en rechts, analytisch en creatief.

Een ander psychologisch voordeel van jongleren is het effect op de neuroplasticiteit, dat wil zeggen het vormen van de hersenen. Deze relatie is in een recent onderzoek onderzocht en in Nature gepubliceerd. Individuen die leerden jongleren, lieten in vergelijking met hun eigen eerdere hersenscans en die van een controlegroep, een tijdelijke en een selectieve structurele verandering zien in hersengebieden die worden gebruikt voor de verwerking en opslag van complexe visuele beweging.

Sociale voordelen
Een minder meetbaar, maar niet minder belangrijke voordeel is dat van sociale overwegingen. Jongleren heeft veel te bieden als een niet-discriminerende groepsactiviteit waaraan iedereen kan deelnemen. De integratie van jongleren in het schoolprogramma creëert een veilige, sociaal fysieke activiteit voor de leerlingen, dat vertrouwen, respect en groepsstabiliteit bevordert. Simpel gezegd, er zijn geen verliezers bij jongleeronderwijs.

Jongleren is een goed alternatief voor de gewoonlijk competitief ingestelde lichamelijke opvoeding en een positief model voor leren in samenwerkingsverband. Competitie is met jongleren mogelijk, direct en indirect door het gebruik van vaardigheden in andere sporten, alsmede door vergelijking met anderen en eigen behaalde resultaten in het verleden. In het algemeen is jongleren echter erg samenwerkingsgericht. Het creëert van een omgeving waar sociale vaardigheden zich kunnen ontwikkelen. Als leerlingen nieuwe vaardigheden leren, zijn ze in staat om deze vaardigheden aan anderen te leren. Leerlingen ontwikkelen dus communicatie en coöperatieve rollen tijdens groepsactiviteiten. Dit geeft sociale leerlingen een mogelijk om uit te blinken.

Andere leertypen – zoals het muzikale, ruimtelijke en kinesthetisch – zijn ook te bedienen met jongleeronderwijs Jongleren creëert een geweldig medium voor kinderen om verschillen te leren accepteren omdat het toegankelijk is voor alle leerlingen ongeacht leeftijd, geslacht, achtergrond, fysieke vaardigheid, conditie, ervaring of vaardigheid. Het voorziet in een gelijk speelveld en is een geschikte educatieve activiteit voor leerlingen met een handicap, gedragsproblemen en leerlingen die niet in teamsporten geïnteresseerd zijn.

Over ongemotiveerde leerlingen is gerapporteerd dat ze nieuwe vaardigheden aanleerden, zelfvertrouwen kregen en leerden om in teamverband te werken door het oefenen met de jongleermaterialen. Bovendien is jongleren in verband gebracht met verbeteringen bij leerproblemen zoals ADHD en Dyslexie.

Emotionele voordelen
Leerlingen ondervinden bij het jongleren aanzienlijke persoonlijke en emotionele voordelen, waaronder meer vertrouwen en zelfwaardering. Zelfvertrouwen en zelfrespect beïnvloeden alle prestatievelden van een leerling. Als gevolg van de verhoogde eigenwaarde verbeteren de prestaties in alle vakken, in wezen door het beïnvloeden van hun houding ten opzichte van schoolwerk.

Vertrouwen en waardering worden beïnvloed door de verwezenlijking en de feedback die met het jongleersucces gepaard gaan, vooral in de vorm van lof, applaus en de uiteindelijke interne voldoening voor de volgehouden inspanning. Verbetering van deze aspecten van het zelf scheppen van een ‘zichzelf versterkend systeem’ van beloonde inspanning, die vervolgens de inzet van leerlingen op al hun ondernemingen beïnvloedt.

Bij het leren van jongleren, moeten alle leerlingen van alle niveaus een proces van veel kleine foutjes doormaken, waaraan geen negatief stigma kleeft, alleen positieve bekrachtiging door middel van doorzettingsvermogen, samenwerken en prestatie. Bovendien kan men met jongleren blijven doorgaan, zonder coach, op eigen initiatief of met andere leerlingen, waardoor het onbeperkte scenario’s voor persoonlijke ontwikkeling biedt. Jongleren is een leuke activiteit, die direct van invloed is op het geluk van de leerlingen.

Conclusie
Jongleren biedt leerlingen, wanneer dat in het lesprogramma en buitenschoolse activiteiten wordt geïntegreerd, een uitgebreid scala aan voordelen en tastbare positieve effecten doordat alle inspanning tijdens het leerproces wordt beloond op onderwijskundig, fysiek, sociaal en persoonlijk vlak.

Jongleren helpt cognitieve vaardigheden ontwikkelen evenals waardering voor en prestaties op school. Het biedt ook fysiologische voordelen, zoals conditie, tweehandigheid, coördinatie en lichaamsbewustzijn. Psychologische voordelen zijn de bevordering van duale hersenactiviteit en anatomische ontwikkeling van specifieke hersengebieden. Jongleren is een maatschappelijk gelijkwaardig en goed alternatief voor de conventionele competitieve sporten voor alle leerlingen ongeacht hun achtergrond en ervaring. Het bevordert vertrouwen, respect, communicatie en samenwerking binnen en rond de groep. Jongleren heeft ook diverse positieve effecten bij leerlingen met leerstoornissen, gedragsproblemen of een lichamelijke handicap. Het stimuleert de persoonlijke en emotionele ontwikkeling door middel van toename van zelfvertrouwen en zelfrespect, zonder enig negatief stigma op falen. Nieuwe vaardigheden zijn cumulatief en worden continu versterkt door herhaaldelijke aanmoediging, waardoor leerlingen onvermijdelijk hun doel bereiken en slagen.

Deze voordelen vormen een sterke onderbouwing voor het opnemen van jongleren in het lesprogramma en de buitenschoolse activiteiten van scholen, naast de lange rij van reeds bestaande mogelijkheden voor lessen en lichamelijke opvoeding. Het gebruik van jongleermaterialen is nog grotendeels onontgonnen en er is ruimte voor verder onderzoek, met name naar de voordelen voor leervaardigheden, bij leerstoornissen en de bijbehorende verbeteringen in onderwijs prestaties. Niettemin biedt jongleren, zoals hierboven aangetoond, het onderwijs een culminatie van voordelen door middel van ontwikkeling, groei en vaardigheden, waar leerlingen waarschijnlijk hun leven lang iets aan hebben.

Auteur: Nic Seton

Bron: http://www.yoho.com.au/pdf/juggling_benefits.pdf