Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Categorie Archieven: Overig

Moedig jongleren

Hoe vaak heb ik wel niet gehoord: “Je bent een jongleur. Wow! Dan moet je wel een hele goede coördinatie hebben”
Ondanks mijn vaardigheden, heb ik hierover altijd een ongemakkelijk gevoel gehad. Ik bedoel: ik speel geen piano of gitaar. Sportief gezien ben ik maar middelmatig atletisch. Ik zou niet direct “een goede coördinatie” op mijn cv zetten of bij een sollicitatie noemen.

Onlangs gaf ik een paar uur jongleerles op een lokaal festival. Zoals velen keek ik naar de kinderen die naar me toe snelden, stonden te popelen om het te proberen en blij waren met de minste of geringste progressie van hun vaardigheden. Hun ouders stonden erbij, waakzaam en gelukkig voor de kinderen, maar wel iets ongemakkelijk. Er stond niet aangegeven dat deze les niet voor hen bestemd was. Toch bleven ze daar staan met hun leeftijd en mislukkingen in het verleden als excuus om het niet te proberen. Het schoot mij te binnen dat het bij jongleren in wezen niet om coördinatie gaat, maar om moed.

In een baanbrekend psychologisch onderzoek ontdekte Barbara Brown dat het merendeel van de angst die wij ervaren, voortvloeit uit de afkeuring die wij van anderen verwachten. De angst om dwaas of ontoereikend voor te komen, kan iemand die gewoonlijk actief en succesvol is, verlammen. Denk eens hoe het leren jongleren het beeld van dwaasheid en ontoereikendheid oproept. Geen wonder dat volwassenen aarzelen om het te proberen.

Op een bijeenkomst van een jongleerclub is het gemakkelijk om de nieuwe leden te onderscheiden van de oudgedienden. De nieuwe zijn bang, terwijl de “jongleurs” de moed laten zien die nodig is om nieuwe en potentieel succesvolle trucs te proberen. Met behulp van deze criteria lijkt het kind dat in de handeling van de eerste worp opgaat, op de jongleur die ik ben. Niemand zou beweren dat het kind een goede coördinatie heeft. Maar ik weet dat we een band hebben. We behoren tot diegenen die niet bang zijn om te falen of als ontoereikend voor te komen. In die zin zijn we moedig en profiteren we van de voordelen van dat gedrag – een groter gevoel van eigenwaarde en de bewondering van anderen. Realiseert het publiek zich dit? Natuurlijk! Juichen ze niet het hardst als we iets gevaarlijks doen, zelfs als daar niet de vaardigheid van andere trucs voor nodig is?

Met dit in het achterhoofd zijn de implicaties voor het leren jongleren duidelijk. Carlo en Gelb pleiten er voor dat de beginner “bevriest” in plaats van de ene fout in de andere te vervallen. De leertheorie kan de effectiviteit hiervan verklaren, maar het is ook duidelijk dat het niet achterna rennen van je gevallen ballen, het voorkomen van dwaasheid vermindert. Dit maakt het hoge percentage gevallen ballen makkelijker te accepteren.

De volgende keer dat je een andere persoon iets leert, of zelf iets nieuws leert, denk dan aan de moed die nodig is om iets nieuws te proberen, en nodig falen uit in je leven. Beloon je studenten voor de moed die nodig is om de truc te leren. Ze zullen het dan eerder blijven proberen, evenals jij zelf. Op een dag zul je dan horen, “Je bent een jongleur? Wow! Je moet echt dapper zijn!”

Auteur: Barrett L. Dorko
Eerder gepubliceerd in Juggler’s World
Bron: http://www.creative-science.org.uk/juggle.html

Specifiek trainen

In de sportwereld is specifiek trainen een toverwoord. Het houdt in dat de coördinatie tijdens de training zoveel mogelijk moet lijken op die van de wedstrijd. De beste training voor wedstrijdschaatsen is dus het schaatsen zelf. Maar Jos de Koning, zo’n beetje de bekendste schaatsonderzoeker ter wereld, brengt hier tegen in: “Stel nou dat je bij de afzet in de bocht niet meer kunt wegdrukken dan zo’n honderd kilo, dan kun je rondjes rijden tot je een ons weegt, maar je afzet zal niet snel krachtiger worden. Je moet dan het krachthonk in. Daar druk je met gemak veel meer kilo’s weg, alleen is die beweging veel minder specifiek. Waar het optimum ligt in de verdeling tussen specifiek en aspecifiek, geen idee”

Orie, als bewegingswetenschapper opgeleid aan de VU, doet zelf onderzoek met zijn schaatsers, bijvoorbeeld naar hun ademhaling. “Van bergbeklimmers is bekend dat, hoe ervarener ze zijn, des te beter ze hun ademhaling afstemmen op het loopritme. Bij schaatsen moet het ritme van afzetten goed aansluiten op het ritme van de ademhaling. Hoe schaatsers dit doen weten we niet precies. Maar het lijkt er sterk op dat deze afstemming perfect verloopt als ze in topvorm zijn.” 

Een van de leermeesters van Orie aan de VU was prof dr Peter Beek. Beek is gespecialiseerd in coördinatie en heeft veel onderzoek gedaan bij jongleurs en drummers. Hij kiest ook de kant van De Koning. “Er is waarschijnlijk nog veel vooruitgang te boeken op het gebied van coördinatie. Bijvoorbeeld hoe we bewegingen aanleren. Een belangrijke discussie onder wetenschappers is het onderscheid tussen expliciet en impliciet leren. Van oudsher leren we sporters bewegingen expliciet aan, dat wil zeggen we beschrijven hoe ze de beweging moeten uitvoeren. Na veel oefenen kan de sporter de beweging gedachteloos uitvoeren, maar de kennis van de beweging is nog altijd aanwezig. Rich Masters liet begin jaren negentig in een experiment zien dat golfers die een beweging impliciet geleerd hebben, dus zonder dat ze specifieke kennis van de slag hebben, onder stress beter presteren dan sporters die de beweging expliciet hebben geleerd. Sporters met specifieke kennis hebben de neiging onder stress hun handelen opnieuw te gaan analyseren.” 

De Duitse onderzoekster Gabriële Wulf maakt onderscheid tussen sporters die intern en extern gericht zijn. Het laatste werkt beter. Skiërs die zich moesten concentreren op hun benen, presteerden minder dan skiërs die zich moesten focussen op de piste. Blijkbaar gaat het erom niet teveel na te denken over de beweging zelf. 

De Duitser Wolfgang Schöllhorn tenslotte gaat nog een stap verder. Beek: “Hij werkt veel met sporters en verbaast zich erover dat die vaak na verloop van tijd tegen een plafondwaarde aanlopen, ook al blijven ze trainen. Volgens Schöllhorn komt dit doordat ze hun ingestudeerde bewegingen te vaak herhalen. De hersenen zitten ‘vast’ in die beweging. Schöllhorn gaf goede amateurkogelstoters, die al tijden tegen hun plafond aan zaten, de opdracht om allerlei nieuwe rare bewegingen te maken voordat ze de kogel stootten. Het werkte, ze konden hun grens weer verleggen. Het idee erachter is dat het brein op te vatten is als een oplossingen genererende machine. Door de boel ‘op te schudden’ prikkel je de hersenen om weer naar nieuwe oplossingen te zoeken.” 

De Groningse onderzoeker dr Theo Mulder kan zich hier helemaal in vinden. Mulder, die werkt bij de faculteit bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, is auteur van het boek  De Geboren Aanpasser, dat handelt over het menselijk brein en veel gelezen wordt door trainers. Mulder, die zelf overigens niets met sport heeft, geeft aan dat het eindeloos herhalen van dezelfde beweging ook in zijn ogen averechts kan werken. “Een atleet die jarenlang op één plek traint, presteert minder als hij op een andere atletiekbaan een wedstrijd moet lopen. Mensen die lang op zee zijn geweest en daar moeiteloos hun taken uitvoeren, presteren minder als ze diezelfde taken plotseling op land moeten uitvoeren. De mens heeft adaptatietijd nodig. Daarom is het dus bijvoorbeeld heel verstandig om als voorbereiding op een wedstrijd tijdig te gaan trainen op de ijsbaan in Turijn en te wennen aan de omgeving. Maar beter is nog om altijd veel variatie aan te brengen in de training, door de hoeveelheid licht te variëren, geluid etcetera. Profgolfers trainen regelmatig op een andere ondergrond, zand, grind, rubber. De vader van de bewegingswetenschappen, Nikolai Bernstein, zei altijd learning is repetition without repetition.” 

Wellicht kunnen jongleurs deze tips ook toepassen. Ieder podium is qua ruimte en belichting anders. Train dus niet altijd in dezelfde omgeving.

Bron: http://www.nwtonline.nl/00/NT/nl/47/artikel/2218/Sneller__hoger_minder.html