Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Categorie Archieven: Onderzoek

Kinderen overwinnen dyslexie met jongleren

Een baanbrekende methode om mensen met dyslexie te behandelen lijkt een groep schoolkinderen van West Midlands te helpen om over hun leerstoornis heen te komen. Leerlingen van de Balsall Common Primary School bij Solihull werden in januari 2001 getest. Daarbij werd bij 40 kinderen een vorm van dyslexie vastgesteld. In de afgelopen twee jaar hebben de kinderen deelgenomen aan dagelijkse hand-oog coördinatie tests en oefeningen  zoals het vangen van beanbags en het balanceren op ‘wiebelborden’. De school beweert dat de nieuwe aanpak, die ontwikkeld is door de het Kenilworth Dyslexie Centrum, zeer succesvol is gebleken.

Hoofdmeester Trevor Davis zei dat de schoolprestaties van een aantal leerlingen die aan de oefeningen deelnamen, opmerkelijk waren. Hij zei dat er in veel gevallen sprake was van een verbetering van 300 tot 400%. De schoolresultaten verbeterden, maar ook – nog belangrijker – het gevoel van eigenwaarde.”

Jake Powell, die werd geïdentificeerd als iemand die last heeft van dyslexie, vertelde dat de aanpak bij hem heeft gewerkt. “Sinds ik met de oefeningen ben begonnen, zijn mijn niveaus omhoog gegaan”. Zijn vader John Powell is ook een fan van de behandeling. “Ik geloof dat het systeem werkt en ik denk dat het in het onderwijs geïntegreerd zou moeten worden “, zei hij.

Shirley Cramer, directeur van het Dyslexie Instituut dat kinderen op nationaal niveau test, zei dat ze graag wil dat op dit terrein meer onderzoek wordt gedaan. “Het is bemoedigend dat sommige kinderen verbeteringen laten zien, maar de onderzoekers die er naar hebben gekeken, zijn zeer kritisch over de methodiek “, zei ze. “We moeten meer langetermijn onderzoek doen om te begrijpen waarom het voor sommige kinderen wel werkt en voor anderen niet”.

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/uk_news/england/2714175.stm

Advertenties

Beweeg je brein

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt steeds duidelijker dat lichaamsbeweging niet alleen ons lijf maar ook ons brein in conditie houdt. Maar we bewegen almaar minder, tot spijt van prof. Erik Scherder. Beweging baat het brein van de wieg tot het graf, betoogt hij.  Onderstaand artikel gaat niet specifiek over jongleren, maar wie de positieve effecten daarvan wil begrijpen, moet ook naar de effecten van bewegen in het algemeen kijken.

Erik Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de VU Amsterdam, en hoogleraar bewegingswetenschappen in Groningen, hamert op het belang van lichaamsbeweging. Hij doet daar al jaren gedreven onderzoek naar; hij leeft het voor door zelf iedere dag een uur te fietsen, en hij loopt congressen af om zalen vol luisteraars voor te houden: Beweeg! Want dat is niet alleen goed voor je conditie, maar ook voor je de conditie van je brein.

“Je ziet de zaal dan altijd opveren”, zegt Scherder. “De meeste mensen weten niet dat je met lichaamsbeweging óók werkt aan je geheugen, aan je cognitieve functies. Lichaamsbeweging en cognitieve inspanning doen een beroep op dezelfde circuits in het brein; het betreft dezelfde neurale systemen. Verbindingen tussen hersengebieden waarvan we dachten dat ze alleen bedoeld zijn voor geheugenprocessen, blijken ook belangrijk te zijn voor motorische processen.”

Deze inzichten zijn niet nieuw, maar worden wel steeds duidelijker – onder wetenschappers althans, veel minder onder het grote publiek. ‘Lichaamsbeweging is bovenal een manier om je brein in conditie te brengen’, schrijft John Ratey, hoogleraar psychiatrie in Harvard, in zijn boek ‘Fit!’. ‘Spieren kweken, calorieën verbranden, hart en longen versterken: het zijn eigenlijk maar bijverschijnselen.’ Ook Ratey stelt: door te bewegen kun je je brein beïnvloeden. Beweging verbetert je leervermogen en geheugen, en blijkt heilzaam bij psychische klachten als stress, verslaving en depressiviteit. Zo is inmiddels voor depressie omstandig aangetoond dat running therapy een effectieve behandeling is.

Scherder knikt instemmend, en hoopt in de nabije toekomst te kunnen vaststellen of beweging óók beschermt tegen dementie. Uit epidemiologische onderzoeken blijkt dat dementie minder voorkomt bij mensen die hun hele leven lichamelijk actief zijn geweest, maar dit betekent nog niet dat hier een oorzakelijke relatie ligt: dat moet nader worden uitgezocht.

Is de energieke, sportieve prof van 59 jaar niet iets te optimistisch? Moeten we lichaamsbeweging als dé panacee gaan beschouwen tegen allerhande aandoeningen, van diabetes tot depressie en dementie? “Nee”, zegt Scherder nadrukkelijk, “ik wil juist voorzichtig blijven: het is géén Haarlemmer olie. Je hoort mij niet zeggen dat iedereen topsport moet gaan bedrijven en over zijn fysieke grenzen moet heengaan. Maar ik zeg wel: Word weer, of meer, lichamelijk actief. Dat heeft een gunstig effect op allerlei terreinen: op je weerstand, op je stemming; op de cognitieve kwetsbaarheid van ouderen, en op de cognitieve reserves die jongeren nog moeten opbouwen. Er zijn inmiddels talloze studies die deze positieve effecten laten zien.”

Helaas, weet Scherder al te goed, blijkt de laatste jaren de mate van activiteit bij gezonde kinderen en volwassenen alleen maar af te nemen. Het gemiddelde kind van tegenwoordig brengt door de week gemiddeld ruim zes uur per dag door achter een computer- of televisiescherm, en in het weekend meer dan zeven uur per dag. Van de volwassen Nederlanders haalt nog niet de helft de Norm Gezond Bewegen. Volgens deze norm moeten we iedere dag minimaal een half uur een ‘matig intensieve inspanning’ leveren, aan één stuk. Dus dertig minuten flink fietsen, zwemmen of wandelen – en niet alleen de hond uitlaten want dan sta je bij elke boom weer stil.

Scherder vindt het ‘zeer zorgelijk’ dat zo weinig mensen deze relatief bescheiden norm halen. “Ze denken misschien: ach, dan ben ik wat minder fit en krijg ik er wat kilo’s bij. Maar passiviteit heeft ook enorme consequenties voor je cognitieve functioneren, je stemming, je slaap-waakritme. Dat is van groot belang voor de kwaliteit van je leven nu, en in de toekomst. Hoe wil je ouder worden? Daar gaat het hier óók over!”

Hoe we ouder willen, of zullen, worden, dat beïnvloeden we al met onze mate van activiteit wanneer we nog heel jong zijn. Kinderen die op de basisschool extra lichamelijke inspanning verrichtten, lieten betere schoolprestaties zien dan vergelijkbare klasgenootjes die alleen de standaard gymlessen volgden.  Scherder: “Dat waren bescheiden bewegingsprogramma’s: rond een half uur extra bewegen per dag gaf al een significante verbetering. De aandacht en concentratie bij deze leerlingen verbeterden.”

Maakt bewegen ons dus ook al slimmer? Dat zou je best zo kunnen stellen, zegt Scherder. In ieder geval zorgt sporten voor een betere doorbloeding van het brein. “Met name de doorbloeding van de witte stof verbetert. Dat zijn de verbindingen in de hersenen die nodig zijn om nieuwe informatie en signalen te verwerken. De witte stof is kwetsbaar voor veroudering: op mijn leeftijd gaat die al achteruit. Ik merk dat doordat veel dingen wat trager gaan. Oudere mensen gaan langzamer lopen; ze denken ook langzamer. Maar”, – hij veert op en slaat strijdvaardig met zijn hand op tafel – ,,als ik zorg dat ik veel beweeg en dus een goede doorbloeding houd, dan rem ik dat proces.”

Een tweede belangrijke reden dat sporten ons slimmer, sneller en geconcentreerder kan maken is dat beweging een gunstig effect geeft op de neurotrofines in het brein – de ‘voedingsstoffen’ waardoor onze chemische huishouding beter functioneert. Scherder: “Dit is een soort Pokon voor de hersencellen: die zorgt voor betere netwerken.”

Lichaamsbeweging is voor kinderen en jongeren ook zo belangrijk omdat zij daarmee hun ‘cognitieve reserve’ aanleggen, betoogt de hoogleraar. “De prefrontale cortex in de hersenen ontwikkelt zich nog tot het 25ste levensjaar. Door te sporten versterk je de verbindingen in dat gebied. Dat geeft een buffer tegen aftakeling, want juist die prefrontale lob gaat bij ouderen als eerste achteruit.”

Zit een kind op een school die het uitdaagt, doet het aan sport, liefst ook aan muziek, dan komen er, dankzij deze ‘verrijkte omgeving’, meer vertakkingen in het jonge brein. “En daarmee wordt een reserve opgebouwd; je investeert daarmee in je toekomst, in je hele levensgeluk. Die verrijking kan nét het verschil maken, bijvoorbeeld dat je het gymnasium haalt.” Hij lacht en roept uit: “Ouders, maak u geen zorgen dat uw kind het te druk heeft, dat is juist prima!”

Gaat dat kind na het gymnasium misschien ook studeren, en krijgt het college van Erik Scherder, dan heeft hij ook voor deze groep weer een breinboodschap op maat: “Studenten, probeer nooit vier uur achter elkaar te studeren.” Het werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit, en na anderhalf uur is de aandacht weggezakt. Ga dan een half uur joggen, adviseert Scherder: daarna zit je twee keer zo efficiënt te blokken.

Die student wordt ouder, en – rond een jaar of veertig, vijftig – wat zwaarder, wat minder energiek. Wie ervoor zorgt dan lichamelijk actief te blijven – of te worden – vermindert zijn of haar risico op hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en suikerziekte. “Dat weten veel mensen wel”, zegt Scherder, “maar ze weten vaak niet dat juist dit belangrijke risicofactoren zijn voor dementie – de ziekte die voor iedereen een schrikbeeld is.”

Het is nooit te laat om te beginnen met bewegen, zegt hij geruststellend. Ook wie de 25 al ruimschoots is gepasseerd en dan pas de sportfiets ontdekt, verbetert daarmee nog zijn conditie, gezondheid, stemming – én vermindert het risico op dementie.

Bron: Trouw, Eveline Brandt − 27/03/11

 

Het effect van jongleertherapie op angststoornissen

In Japan is door de afdeling Psychosomatische Geneeskunde van de Universiteit Kagoshima in 2006 onderzoek gedaan naar het effect van jongleertherapie op vrouwelijke patiënten met angststoornissen. De uitkomsten tonen aan dat jongleren effectief kan zijn bij de behandeling van angststoornissen.

Verschillende therapieën, waaronder psychotherapie en cognitieve gedragstherapie zijn beschikbaar voor de behandeling van angststoornissen. Hoewel er in het verleden weinig onderzoek is gedaan naar alternatieve therapieën, rapporteren een aantal recente studies over hun werkzaamheid bij patiënten met posttraumatische stressstoornissen (PTSS), algemene angststoornissen door middel van kruidentherapie, angst- en stemmingsstoornissen door middel van verschillende complementaire therapieën, angststoornissen door middel van yoga therapie, en angststoornissen door meditatie en ontspanning. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een integrale psychotherapeutische aanpak die telkens als effectief wordt beoordeeld voor de behandeling van verschillende angststoornissen, zoals PTSS, paniekstoornissen en fobieën. Hoewel tegenstrijdige uitkomsten zijn gerapporteerd voor de werkzaamheid van EMDR, wordt de werkzaamheid van deze therapie als laag tot matig beoordeeld. Aanvankelijk kwam uit onderzoek naar deze therapie naar voren dat het snel bewegen van de ogen van de ene kant naar de kant storende gedachten en de daarmee samenhangende angst vermindert. Momenteel worden ‘rapid eye movement’ methoden soms vervangen door ‘soepele achtervolgende’ oogbewegingen en bilaterale stimulatie. ‘Soepele achtervolgende’ oogbewegingen, bilaterale tikken en bilaterale tonen zijn even effectief gebleken als snelle oogbewegingen.

Jongleren (otedama) heeft een 3000-jarige geschiedenis in Japan. Het kwam voor het eerst voor in de Nara en Heian periode (8e – 9e eeuw). Tot op heden blijft dit ‘spel’ groeien in populariteit. Een eerder rapport heeft aangetoond dat het jongleren met drie ballen de groei van de grijze stof in het midden van de temporale kwab vergemakkelijkt. Een ander rapport suggereert dat de midtemporale kwab betrekking kan hebben op expliciete conditionering taken. Fysieke beweging in de vorm van meditatie en yoga therapie kan angst verminderen door middel van ontspanning. Met betrekking tot angststoornissen stelt een rapport dat de temporaalkwab betrokken is bij het ontstaan van een paniekaanval. Deze bevinding suggereert dat visuele informatie over beweging en fysieke beweging het psychoneurologische netwerk kunnen verbeteren.

Het onderhavige onderzoek is de eerste poging om het therapeutische effect van jongleren op angststoornissen aan te tonen. De hypothese is dat jongleertherapie bijdraagt aan verlaging van angst van de patiënt door veranderingen in de verwerking van het emotioneel geheugen.

De proefpersonen in deze studie waren 17 vrouwelijke poliklinische patiënten met angststoornissen, die aan de diagnostische criteria van de DSM-IV voldeden (6 voor paniekstoornissen, 4 voor PTSS, 4 voor obsessieve-compulsieve stoornissen en 3 voor algemene angststoornissen (GAD). Geen enkele proefpersoon had een drugs- of alcoholverslaving, of een andere comorbiditeit. Alle proefpersonen werden behandeld met standaard psychotherapie, medicatie en begeleiding. Tijdens de 6-maanden durende studie periode werden anxiolytica en antidepressiva voorgeschreven, maar de doses werden tijdens de studie niet gewijzigd. In de laatste 3 maanden van de behandeling, werden de proefpersonen random verdeeld in twee groepen. De ene groep kreeg jongleertherapie en de andere niet. De proefpersonen in de jongleergroep werd het klassieke cascade patroon met balletjes aangeleerd. Ze oefenden ongeveer 5 minuten, tweemaal per dag. Het verschil in het therapeutisch effect werd geschat met behulp van scores op de State-Trait Anxiety Inventory (STAI), Profile Of Mood Status (POMS) en Franchay Activity Index (FAI), die afgenomen werden vóór de behandeling, na 3 maanden van de behandeling (vóór de jongleertherapie), en aan het eind van beide behandelingen (na 6 maanden). Betrekking tot de statistische analyse werden de psychologische test scores vergeleken met behulp van een ANOVA voor herhaalde metingen en de Scheffe’s post hoc toets. Alle resultaten werden beschouwd als significant (bij p <0,05). Er werden geen verschillen tussen de 2 groepen waargenomen met betrekking tot demografische kenmerken.

De angstscores in de jongleergroep waren sterker afgenomen dan in de niet-jongleergroep. Deze bevinding suggereert dat jongleertherapie angst kan verminderen door verwerking van visuele bewegingsinformatie (EMDR). Er is gerapporteerd dat oogbewegingen angst-herinneringen verminderen of de levendigheid van deze herinneringen. Dit effect kan bij de jongleergroep tot een snellere ‘oplossing’ van angst en emotionele nood hebben geleid dan bij de niet-jongleergroep. De activiteit van de voorste cingularis cortex (ACC) en laterale prefrontale cortex (PFC) is gewijzigd bij personen met een hoger angst niveau en de dorsale regio van ACC is gerelateerd aan interoceptief bewustzijn. Dus een verbetering op angstscores door middel van jongleren kan het gevolg zijn van dergelijke veranderingen in de verwerking van emotioneel geheugen en lokale hersenactiviteit.

Aan de andere kant kunnen jongleren of vergelijkbare lichaamswerk therapieën de toestand van de patiënten hebben vergemakkelijkt door middel van ontspanning. Van lichaamswerk therapieën, zoals yoga, meditatie en ontspanning, is gerapporteerd dat ze effectief te zijn bij emotionele controle. Een verstoorde beheersing van de aandacht bij de dreiging van angst is eerder gevonden, dus de lichaamsgewaarwording bij jongleertherapie kan hebben bijgedragen om de aandacht beter te beheersen en het homeostatische proces te ondersteunen, zoals EMDR. Sinds stemming scores, zoals verwarring en vermoeidheid, niet verbeterden, kan jongleertherapie een specifieke en beperkte invloed hebben op de activiteit van de hersenen, evenals andere alternatieve therapieën.

Het onderzoek kent een aantal beperkingen. Ten eerste is, omdat het aantal deelnemers klein was, een brede definitie van angststoornis gebruikt. Maar er is gerapporteerd dat een angststoornis samengaat met andere pathologieën. Ten tweede, het therapeutische effect is alleen geschat met behulp van psychologische testen, zonder beoordeling van de hersenfunctie. Hypo- in plaats van hyperactivatie van de PFC is gemeld bij PTSS patiënten tijdens de welbespraaktheid test. Daarom is verder onderzoek met behulp van MRI, PET en/of SPECT nodig om te onderzoeken welke locaties in de hersenen verantwoordelijk zijn voor het therapeutische effect van jongleren.

Het onderzoek heeft het angstverlagende effect van jongleertherapie bij patiënten met angststoornissen aangetoond. Jongleertherapie kan gemakkelijk worden uitgevoerd in combinatie met andere vormen van therapie voor patiënten met een verhoogde angstniveaus.

bron: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1876467

Jongleren lijkt de executieve functies te verbeteren

“Executieve functies” staan bij psychologen tegenwoordig in het middelpunt van de belangstelling. Ze bepalen veel meer dan het IQ of een kind het schoolleven aankan. Impulscontrole is een van die executieve functies. Kinderen met de tegenwoordig veel uitgedeelde diagnosen ADHD en autisme vertonen tekortschietende executieve functies.  Lichaamsbeweging die ontspannend en niet-competitief is, en gecombineerd wordt met aandacht, lijkt te helpen.  Valt jongleren niet in die categorie van beweging?
Hieronder volgt de volledige tekst van het artikel dat in de Volkskrant is verschenen.

Pubers die gaan experimenteren met drugs hebben een hersengebiedje dat te weinig actief is. Daarmee onderscheiden ze zich van 14-jarige pubers die wel nicotine en alcohol hebben geprobeerd, maar nog niet aan andere drugs hebben gezeten. En van leeftijdgenoten met milde ADHD die hun impulsen ook niet altijd in bedwang houden op een manier die hun opvoeders graag zouden zien.

Te weinig impulscontrole is een van de kenmerken van ADHD, de meest voorkomende hersenontwikkelingsstoornis, maar ook van drugsgebruik, roken, alcohol drinken, opstandig en risicovol gedrag en jeugdcriminaliteit. Bij de start-stoptest waarmee psychologen impulscontrole meestal meten, krijgen proefpersonen steeds een pijltje te zien dat aangeeft: druk op de linker of rechter knop. Af en toe verschijnt er binnen honderden milliseconden een stopteken: niet drukken. In hoeverre mensen daar nog in slagen, dat is een maat voor de impulscontrole.

Zo’n test geeft vaak één uitkomst voor allerlei soorten impulsiviteit. Maar puberhersenen hebben in totaal zeven verschillende zenuwnetwerken die een impuls goed kunnen onderdrukken. En zes verschillende zenuwcircuits die bepalen of de impulscontrole ontbreekt. Dat vond een grote groep Britse, Franse, Duitse, Amerikaanse en Canadese hersenonderzoekers die bijna 1.900 14-jarige pubers in fMRI-scanners een impulscontroletest hadden afgenomen. Van die 1.900 was ook bekend of ze een lichte vorm van ADHD hadden, of ze al eens hadden gerookt en alcohol gedronken of ze met drugs hadden geëxperimenteerd. Dit onderzoek is veruit het grootste dat ooit onder pubers naar impulscontrole en hersenwerking is gedaan. De resultaten zijn zondag online gepubliceerd in Nature neuroscience.

En hoewel de ADHD’ers op de neuropsychologische test vrijwel gelijk scoorden als de pubers die al eens met drugs hadden geëxperimenteerd, liet de fMRI-scanner zien dat er in hun hoofd andere zenuwcircuits actief waren. De ene impulsiviteit is de andere niet, concluderen de onderzoekers.

Ze schrijven ook dat ze helderheid brengen in een oude kip-eikwestie: ontstaat hersenactiviteit die gevoelig maakt voor meer drugsgebruik door het eerste drugsgebruik, of is die bedreigende hersenactiviteit er al?

Die is er vaak al, zegt een van de onderzoeksleiders, Hugh Garavan, in een persbericht van de universiteit van Vermont. Pubers met verminderde activiteit in een zenuwnetwerk in een hersendeeltje dat net achter de oogkassen ligt (orbitofrontale cortex) hebben beduidend vaker met sigaretten, alcohol en drugs geëxperimenteerd dan leeftijdsgenoten die daar in de fMRI-scanner meer activiteit vertonen. fMRI is een techniek waarmee de stofwisselingsactiviteit in aparte hersengebieden kan worden gemeten. Bij individuen zijn de verschillen meestal niet duidelijk, maar door veel metingen te ‘middelen’ zijn voor het eerst verschillende hersengebieden voor impulsiviteit­regulatie gevonden die in eerdere onderzoeken met veel minder proefpersonen in de ruis verborgen bleven.

Impulscontrole zorgt ervoor dat een mens geen ‘gekke dingen doet’. Niet een politieagent schopt, een dier martelt, met spullen smijt, een onbereikbare liefde toch de liefde verklaart, veel te hard met een brommer over de stoep rijdt. Vooral pubers zijn berucht om hun impulsiviteit. Het is een ,,normaal onderdeel van hun ontwikkeling”, schrijven de onderzoekers. Nadeel is dat het risicogedrag dat er uit voortkomt in de geïndustrialiseerde wereld de belangrijkste doodsoorzaak voor pubers is.

De vraag is dan ook hoe een hinderlijk tekort aan impulscontrole ontstaat en of er iets tegen te doen is. De onderzoekers hebben daar geen antwoord op. Het kan genetisch zijn (daarvoor presenteren ze één aanwijzing), maar ook door opvoeding, scholing en levenservaringen zijn ontstaan. In de laatste zinnen van hun artikel verwijzen ze naar een review die vorig jaar in Science verscheen (zie inzet), waarin wordt beschreven welke trainingen wetenschappelijk bewezen effectief zijn om vier- tot twaalfjarigen betere impulscontrole te bezorgen.

Impulscontrole is een van de ‘uitvoerende functies’ – of: executieve functies – die een mens moet beheersen om goede schoolresultaten te halen, en om succes te hebben op het werk en in relaties, zoals een gezin. Goede executieve functies zorgen ervoor dat je flexibel en creatief bent, dat je zelfcontrole hebt en gedisciplineerd bent.

Die executieve functies staan bij psychologen tegenwoordig in het middelpunt van de belangstelling. Ze bepalen veel meer dan het IQ of een kind het schoolleven aankan. Kinderen met de tegenwoordig veel uitgedeelde diagnosen ADHD en autisme vertonen tekortschietende executieve functies.

Groot probleem is wat er precies onder die executieve functies valt, hoe je ze meet en hoe je ze verbetert. In een review in Science (19 augustus 2011) schreven Adele Diamond en Kathleen Lee van de University of British Columbia in Vancouver wat zeker onder executieve functies valt: mentaal kunnen spelen met ideeën, een weloverwogen in plaats van een impulsieve reactie kunnen geven, en je aandacht kunnen richten. Mindfulness, lichaamsbeweging die ontspannend en niet-competitief is, vechtsporten die lichaamsbeweging en aandacht combineren, sommige trainingen in de klas – die lijken te helpen.

Bron: Volkskrant

 

Jongleren verhoogt hersenkracht

Volgens wetenschappers van de universiteit van Oxford zorgen complexe taken zoals jongleren voor een significante verandering in de structuur van de hersenen.
In het tijdschrift Nature Neuroscience zeggen de wetenschappers dat ze een stijging van 5% in de witte stof, het ‘bekabelingsnetwerk’ van de hersenen, zagen. De mensen die aan de studie deelnamen, werden in zes weken getraind en hadden er voor en er na een hersenscan. Op de lange termijn kan het een bijdrage leveren bij behandeling van ziekten zoals multiple sclerose.

Diffusie MRI
Het Oxford-team van de afdeling Klinische Neurologie maakte gebruik van een diffusie MRI die in staat is om de beweging van watermoleculen in het hersenweefsel te meten. Het signaal verandert afhankelijk van hoeveel bundels van zenuwvezels er zijn en hoe stevig ze verpakt zijn.
Veranderingen in de grijze stof, waar verwerking en berekening in de hersenen gebeurt, zijn eerder zichtbaar gemaakt, maar een toename van de witte stof was nog niet eerder aangetoond.

De drie ballen cascade
De wetenschappers bestudeerden een groep van 24 gezonde jonge volwassenen, die geen van allen konden jongleren. Ze verdeelden hen in twee groepen. Een van de groepen kreeg gedurende zes weken een wekelijkse training in jongleren en werd gevraagd om elke dag 30 minuten te oefenen. De twaalf anderen gingen gewoon verder. Na de training konden de 12 jongleurs tenminste twee rondjes van de klassieke drie ballen cascade uitvoeren.
Beide groepen werden voor en na de training gescand met behulp van diffusie MRI. In de 6e week werd bij de jongleurs een toename van 5% in de witte stof aangetoond in de intraparietal sulcus, het achterste gedeelte van de hersenen. In dit gebied liggen de zenuwen die reageren op ons reiken naar en grijpen van objecten in onze perifere visie.
Er was een grote variatie in het vermogen van de vrijwilligers te jongleren, maar bij allen waren veranderingen in de witte stof te zien. Het  Oxford-team zei dat dit toe te schrijven is aan de tijd die aan trainen en oefenen is besteed in plaats van het bereikte vaardigheidsniveau.
Dr. Heidi Johansen-Berg, die leiding gaf aan het team, zei: “MRI is een indirecte manier om de structuur van de hersenen te meten en dus kunnen we er niet zeker van wat er precies verandert wanneer deze mensen leren. Toekomstig onderzoek zal moeten nagaan of deze resultaten het gevolg zijn van veranderingen in de vorm of het aantal zenuwvezels of van een groei van de isolerende myelineschede rond de vezels. Natuurlijk betekent dit niet dat iedereen moet gaan leren jongleren om z’n hersenen te verbeteren. We hebben voor jongleren gekozen, louter om mensen een nieuwe complexe vaardigheid te laten leren.”

Het rode gebied toont het deel van de witte stof van de hersenen dat is vergroot door te leren jongleren
Het is in het intraparietal sulcus aan de achterkant van de hersenen.

Klinische toepassingen
Dr. Johansen-Berg zei dat er klinische toepassingen voor dit werk zijn, maar er is nog een lange weg te gaan.”De kennis dat paden in de hersenen verbeterd kunnen worden, kan op lange termijn van betekenis zijn bij het bedenken van nieuwe behandelingen voor neurologische aandoeningen, zoals multiple sclerose waarbij deze paden worden afgebroken.”
Professor Cathy Price, van de Wellcome Trust Centre for Neuroimaging, zei: “Het is ontzettend spannend om bewijs te zien dat training de menselijke witte stof verbindingen verandert. Dit is een aanvulling op ander werk dat aantoonde dat grijze stof door training verandert. En het motiveert verder onderzoek om de cellulaire mechanismen die ten grondslag liggen aan deze effecten, te begrijpen.”

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/8297764.stm  (oktober 2009)

Jongleren maakt de hersenen zwaarder

 Hersenen van mensen die leren jongleren krijgen meetbaar meer grijze stof . Vooral de gebieden die de verwerking van de visuele informatie beheersen, worden tot procenten vergroot. In de bewegingscentra zijn geen wezenlijke veranderingen te zien.

Dit blijkt uit een onderzoek met een hersenscanner van de universiteit van Jena en Regensburg, dat is gepubliceerd in Nature. Volgens de onderzoekers is het voor het eerst dat wordt bewezen dat volwassenen menselijke hersenen nog in omvang kunnen veranderen, behalve dan door ziekten of ouderdom. Dat was tot nog toe alleen gezien in dierstudies.

De onderzoekers scanden het brein van 24 vrijwilligers driemaal bij aanvang van het experiment, nadat de helft had leren jongleren met drie ballen, en nog eens drie maanden later, toen de meesten het weer verleerd waren.

In de groep van twaalf jongleurs werd in de visuele centra bij de slaap en de linker frontale kwab gemiddeld 3 procent meer grijze stof gemeten dan bij niet-jongleurs. Na drie maanden, waarin de jongleurs niet meer mochten oefenen, verdween daarvan gemiddeld de helft weer. De hersenen van de niet-jongleurs bleven gedurende de proefperiode onveranderd.

Bron: Volkskracht 24 januari 2004

Wat is de betekenis hiervan voor het dagelijks leven?

De veranderingen kunnen volgens de wetenschappers het gevolg zijn van een toename van celproductie of door veranderingen in de verbindingen tussen de hersencellen. Dr. May die het onderzoek leidde, ziet zichzelf nu uitgedaagd om deze kennis nu toe te passen voor de bestrijding van ziekten.

Dr. Vanessa Sluming, docent in medische beeldverwerking aan de universiteit van Liverpool heeft eerder musici bestudeerd en gevonden dat zij meer hersencellen hebben dan niet-spelers. Zij geeft aan dat het onderzoek naar jongleren interessant is omdat het is uitgevoerd onder volwassenen die een nieuwe vaardigheid moesten leren in plaats van te kijken naar mensen die een vaardigheid als kind hebben geleerd. Maar ze tekent daarbij aan dat de onderzoekers alleen een tijdelijke toename hebben gevonden. Het zou interessant zijn om te weten hoe deze verkregen grijze stof kan worden behouden. Betekent dit dat je continu de verworven vaardigheid moet blijven praktiseren? Of heb je op een gegeven moment genoeg gedaan om het te behouden? Het onderzoek toont volgens haar aan dat hetgeen we in het dagelijkse leven doen niet alleen invloed heeft op hoe onze hersenen functioneren maar ook op de structuur op een microscopisch niveau.

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/3417045.stm