Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Categorie Archieven: Lifestyle

Hoe het circus mijn leven redde

Een interessante TED talk door Philippa Vidafari die over haar ‘helende’ ervaringen met circusactiviteiten vertelt.  

Phillippa heeft in 2001 BandBazi opgericht, een met een prijs bekroond, multicultureel  uitvoerend gezelschap. Philippa volgde haar opleiding aan het Schots Koninklijke conservatorium. Nadat ze in diverse theaters had gespeeld, waaronder Royal Court Theatre in Londen, ging ze trainen als luchtacrobaat op The Circus Space in London.  Als artistiek directeur van BandBazi probeert zij het verhalende theater te integreren met luchtwerk wat het gezelschap noemt ‘Luchtdrama’ .

BandBazi heeft ook een multicultureel jeugdcircus (7-25 jaar) dat verbonden is aan het professionele gezelschap. De achtergrond van de jongeren is zeer divers, ook gehandicapten en  vluchtelingen doen mee. Ze  komen iedere zaterdag 2 uur lang bijeen om te oefenen in ontwerp, creatief schrijven, luchtacrobatiek en poi’s draaien. Philippa wil de creatieve talenten van de groep jongeren ontwikkelen en heeft met hen Phillippa inmiddels 5 circusvoorstellingen gemaakt. De groep jongeren schrijft ook liedjes, maakt films en houdt foto tentoonstellingen.

Advertenties

Zen in de kunst van het jongleren

Hart, hoofd en handen in balans
Jongleren is meer dan het beheersen van indrukwekkende trucs. Wie samen met de hoofdpersonen van dit boek op zoek gaat naar de geheimen van de kunst van het jongleren, ontdekt dat het hier om belangrijker zaken gaat: namelijk om de vorming van de persoonlijkheid, het ontwikkelen van concentratie en opmerkzaamheid, om het verkrijgen van innerlijk evenwicht en het daardoor realiseren van een harmonische relatie tussen lichaam en geest. Dave Finningan vertelt in dit boek het fascinerende verhaal van een jongleur die op zoek gaat naar technische perfectie. Zijn zoektocht leidt hem naar de mysterieuze Chinese meester Huang, die leeft en werkt in een vervallen boeddhistisch klooster in de bergen van Taiwan. Daar leert hij, aan de hand van de vaardigheid van het jongleren, de speelse levenskunst van zen. Voor wie met de moeilijkheden van het leven wil leren jongleren als met gekleurde ballen, is Finnigan’s Zen in de kunst van het jongleren een uitstekende wegwijzer! Het laat zien hoe de opgewekte levenskunst van het verre Oosten het alledaagse leven van de moderne westerse mens kan veranderen in een speelse discipline.

Dave Finnegan studeerde sociologie aan de Cornell universiteit. Als middel tegen stress van zijn promotie-onderzoek leerde hij jongleren. Tot zijn grote verrassing veranderde deze discipline zijn hele levensinstelling. Tegenwoordig staat hij wereldwijd bekend als meester-jongleur die de kunst van het jongleren gebruikt als een weg tot zelfverwerkelijking. Meer dan een miljoen mensen leerden via zijn ‘Juggling for succes’ wat het betekent om voorbij je eigen mogelijkheden te denken en daar doelgericht en op een plezierige manier succes in te behalen.

Recensie
Zen is, in tegenstelling tot andere mystieke stelsels, nauw met het dagelijks bestaan verweven. Door het praktisch toepassen van zen wordt de mens zich bewust dat nadenken, overwegen en begrippen vormen het oorspronkelijke onbewuste versluieren en de weg naar geestelijke ontwikkeling blokkeren.
In dit boek gaat de auteur drie maanden op Taiwan in retraite bij een zenmonnik om de kunst van het jongleren te perfectioneren. Mede door meditatie, het zingen van mantras en de levenslessen van de zenmeester wordt het hem duidelijk dat het jongleren geen nuttig doel nastreeft, ook niet als esthetisch genoegen. Het jongleren beoogt het bewustzijn te trainen en gerichtheid op de werkelijkheid te ontwikkelen. Om een meester in het jongleren te worden moet een grens worden overschreden, waarbij de jongleur en zijn attributen tot één werkelijkheid versmelten.
Het boek leest als een spannend jongensboek. De auteur geeft in eenvoudige bewoordingen aan welke geestelijke groei hij heeft doorgemaakt. De schijnbaar ontoegankelijke zenmystiek wordt door hem op speelse wijze begrijpelijk gemaakt. Voor jongleurs zijn de ervaringen heel herkenbaar.
De voordelen van jongleren die Finnigan in andere artikelen heeft beschreven, komen ook een voor een in dit boek terug. Interessant is het laatste hoofdstuk waarin hij ingaat op de lessen en ervaringen die te maken hebben met de integratie van de linker- en de rechterhersenhelft. Wanneer beide helften goed samenwerken, ontstaat iets moois en is er ruimte voor persoonlijke groei.

Bron: http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/zen-in-de-kunst-van-het-jongleren/1001004006914468/index.html

Specifiek trainen

In de sportwereld is specifiek trainen een toverwoord. Het houdt in dat de coördinatie tijdens de training zoveel mogelijk moet lijken op die van de wedstrijd. De beste training voor wedstrijdschaatsen is dus het schaatsen zelf. Maar Jos de Koning, zo’n beetje de bekendste schaatsonderzoeker ter wereld, brengt hier tegen in: “Stel nou dat je bij de afzet in de bocht niet meer kunt wegdrukken dan zo’n honderd kilo, dan kun je rondjes rijden tot je een ons weegt, maar je afzet zal niet snel krachtiger worden. Je moet dan het krachthonk in. Daar druk je met gemak veel meer kilo’s weg, alleen is die beweging veel minder specifiek. Waar het optimum ligt in de verdeling tussen specifiek en aspecifiek, geen idee”

Orie, als bewegingswetenschapper opgeleid aan de VU, doet zelf onderzoek met zijn schaatsers, bijvoorbeeld naar hun ademhaling. “Van bergbeklimmers is bekend dat, hoe ervarener ze zijn, des te beter ze hun ademhaling afstemmen op het loopritme. Bij schaatsen moet het ritme van afzetten goed aansluiten op het ritme van de ademhaling. Hoe schaatsers dit doen weten we niet precies. Maar het lijkt er sterk op dat deze afstemming perfect verloopt als ze in topvorm zijn.” 

Een van de leermeesters van Orie aan de VU was prof dr Peter Beek. Beek is gespecialiseerd in coördinatie en heeft veel onderzoek gedaan bij jongleurs en drummers. Hij kiest ook de kant van De Koning. “Er is waarschijnlijk nog veel vooruitgang te boeken op het gebied van coördinatie. Bijvoorbeeld hoe we bewegingen aanleren. Een belangrijke discussie onder wetenschappers is het onderscheid tussen expliciet en impliciet leren. Van oudsher leren we sporters bewegingen expliciet aan, dat wil zeggen we beschrijven hoe ze de beweging moeten uitvoeren. Na veel oefenen kan de sporter de beweging gedachteloos uitvoeren, maar de kennis van de beweging is nog altijd aanwezig. Rich Masters liet begin jaren negentig in een experiment zien dat golfers die een beweging impliciet geleerd hebben, dus zonder dat ze specifieke kennis van de slag hebben, onder stress beter presteren dan sporters die de beweging expliciet hebben geleerd. Sporters met specifieke kennis hebben de neiging onder stress hun handelen opnieuw te gaan analyseren.” 

De Duitse onderzoekster Gabriële Wulf maakt onderscheid tussen sporters die intern en extern gericht zijn. Het laatste werkt beter. Skiërs die zich moesten concentreren op hun benen, presteerden minder dan skiërs die zich moesten focussen op de piste. Blijkbaar gaat het erom niet teveel na te denken over de beweging zelf. 

De Duitser Wolfgang Schöllhorn tenslotte gaat nog een stap verder. Beek: “Hij werkt veel met sporters en verbaast zich erover dat die vaak na verloop van tijd tegen een plafondwaarde aanlopen, ook al blijven ze trainen. Volgens Schöllhorn komt dit doordat ze hun ingestudeerde bewegingen te vaak herhalen. De hersenen zitten ‘vast’ in die beweging. Schöllhorn gaf goede amateurkogelstoters, die al tijden tegen hun plafond aan zaten, de opdracht om allerlei nieuwe rare bewegingen te maken voordat ze de kogel stootten. Het werkte, ze konden hun grens weer verleggen. Het idee erachter is dat het brein op te vatten is als een oplossingen genererende machine. Door de boel ‘op te schudden’ prikkel je de hersenen om weer naar nieuwe oplossingen te zoeken.” 

De Groningse onderzoeker dr Theo Mulder kan zich hier helemaal in vinden. Mulder, die werkt bij de faculteit bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, is auteur van het boek  De Geboren Aanpasser, dat handelt over het menselijk brein en veel gelezen wordt door trainers. Mulder, die zelf overigens niets met sport heeft, geeft aan dat het eindeloos herhalen van dezelfde beweging ook in zijn ogen averechts kan werken. “Een atleet die jarenlang op één plek traint, presteert minder als hij op een andere atletiekbaan een wedstrijd moet lopen. Mensen die lang op zee zijn geweest en daar moeiteloos hun taken uitvoeren, presteren minder als ze diezelfde taken plotseling op land moeten uitvoeren. De mens heeft adaptatietijd nodig. Daarom is het dus bijvoorbeeld heel verstandig om als voorbereiding op een wedstrijd tijdig te gaan trainen op de ijsbaan in Turijn en te wennen aan de omgeving. Maar beter is nog om altijd veel variatie aan te brengen in de training, door de hoeveelheid licht te variëren, geluid etcetera. Profgolfers trainen regelmatig op een andere ondergrond, zand, grind, rubber. De vader van de bewegingswetenschappen, Nikolai Bernstein, zei altijd learning is repetition without repetition.” 

Wellicht kunnen jongleurs deze tips ook toepassen. Ieder podium is qua ruimte en belichting anders. Train dus niet altijd in dezelfde omgeving.

Bron: http://www.nwtonline.nl/00/NT/nl/47/artikel/2218/Sneller__hoger_minder.html

De voordelen van het leren jongleren bij kinderen

Dave Finnegan is jongleur en antropoloog en heeft verschillende boeken geschreven over jongleren en de impact daarvan. In dit ‘klassieke’ artikel gaat hij in op de voordelen van het inpassen van jongleren in het onderwijs. 

Voordelen op het gebied van conditie, motorische vaardigheden, balans en coördinatie

Leerlingen kunnen beginnen met het verwerven van pre-jongleer vaardigheden in de basisschool door te leren gooien en vangen van grote, kleurrijke, langzaam bewegende nylon doekjes. Zodra het gooien en vangen routine wordt, kan je voor de meeste spelletjes, waarvoor je normaal een balletje of pittenzakje zou gebruiken, een nylon doekje gebruiken. Denk maar aan het doekje als een “bal met zijwieltjes.”

Het jongleren met doekjes vordert stapsgewijs van één, naar twee, naar drie. Het gooien van doekjes vereist grote, vloeiende bewegingen. De kinderen krijgen een grote cardio-vasculaire en pulmonale impuls wanneer ze met doekjes jongleren; ze activeren de grote spieren dicht bij het hoofd en het hart. Ze vinden het jongleren met doekjes een hele klus maar beleven er tegelijkertijd veel plezier aan. Zodra ze doorstromen naar pittenzakjes, balletjes of andere snel bewegende voorwerpen, zijn ze niet alleen in beweging zijn door het gooien, maar ook door het bukken om de gevallen voorwerpen op te rapen. Zodra een leerling echt kan jongleren, kan die gaan ‘trainen’ met zwaardere of omvangrijkere voorwerpen zoals zware ballen, basketballen of andere voorwerpen die kracht vergen terwijl ze ook aandacht en beweeglijkheid verbeteren.

Het gooien en vangen kan op muziek worden gedaan. Je kunt verschillende soorten muziek gebruiken om kinderen een gevoel voor ritme en een natuurlijke ‘beat’ bij te brengen. Door te laten overgooien, kunnen de leerlingen aan een groepsactiviteit deelnemen waarbij concentratie en aandacht nodig is en het ritmegevoel versterkt wordt.

Terwijl leerlingen leren jongleren, leren ze tegelijkertijd ook balanceren. Het is van vitaal belang om kinderen de kans te geven om zowel hun dominante als niet-dominante hand te gebruiken. Bij jongleren gebeurt dit automatisch. Vanaf het allereerste begin moeten de ogen de voorwerpen volgen en overschrijden ze voortdurend de grens tussen linker en rechter blikveld. Tweehandigheid is van vitaal belang om echt te jongleren. Jongleurs worden grotendeels tweehandig en dit is gunstig voor leerlingen wanneer ze aan andere sporten deelnemen.

Als het jongleren beter gaat, zullen ook de gooi- en vangvaardigheden verbeteren evenals de hand-oog coördinatie. Leerlingen die leren jongleren, zullen ook andere vaardigheden gemakkelijker verwerven, gedeeltelijk als gevolg van verbeterde reflexen en de hand-oog coördinatie, en deels omdat ze hebben geleerd om te leren. Ze verkrijgen hun jongleervaardigheden stap voor stap en dit kan als voorbeeld dienen om te begrijpen hoe ze andere vaardigheden kunnen verwerven.

Voordelen voor gedrag, omgang met anderen en houding

Een klassikaal jongleer programma geeft docenten extra controle over het gedrag van de kinderen. Zodra pauzes om te jongleren zijn ingeroosterd, kan het een krachtig hulpmiddel worden om de aandacht van leerlingen voor een taak en de sfeer in de klas te verbeteren. Vooral fysiek actieve leerlingen zullen voorstander zijn van jongleer pauzes. Deze groep bevat waarschijnlijk de leerlingen met de grootste gedragsproblemen. Deze leerlingen kunnen wellicht uitblinken in jongleren, waar ze niet kunnen uitblinken op school. Zij hebben behoefte aan pauzes om te bewegen en zullen het meest profiteren van het jongleren.

Jongleren geeft leerlingen een manier om met elkaar communiceren door samen aan een groepstaak te werken, door vaardigheden uit te wisselen en door elkaars vooruitgang te volgen. Ze krijgen aandacht van familie en vrienden als ze hun vaardigheden laten zien En ze krijgen respect en maken nieuwe vrienden wanneer ze die vaardigheden aan anderen onderwijzen. Zoals een leerkracht eens opmerkte: “We hebben veel nieuwe kinderen op deze school. Ze kijken naar het jongleerprogramma, raken er betrokken bij en hebben meteen vrienden. Het is geen trucje, het is gewoon een prachtige manier om het gevoel van eigenwaarde te verbeteren. Door dit programma hebben wij een grote groep kinderen kunnen doorleiden naar de middelbare school … “

Leerlingen die het stap-voor-stap leersysteem van jongleren begrijpen, doen het goed in al hun andere vakken omdat ze niet ontmoedigd raken. Ze verbeteren hun houding ten opzichte van het leren van nieuwe vakken en het verwerven van nieuwe vaardigheden. Ze aarzelen niet om uitdagingen aan te gaan, net zoals zij de uitdaging van het leren jongleren hebben aanvaard. Deze houding van vertrouwen en acceptatie van risico’s geeft de leerlingen die betrokken zijn bij een jongleerprogramma een zekere voorsprong op degenen die dat niet zijn.

Wanneer leerlingen zover zijn en met succes optreden voor volwassenen of andere leerlingen, neemt hun gevoel van eigenwaarde enorm toe. De sleutel tot een verhoogde zelfwaardering is de realisatie van je eigenwaarde, en niets brengt kinderen hier dichterbij dan lof en applaus van leeftijdsgenootjes en volwassenen. Een facet van het jongleerprogramma is dat iedere leerling voortdurend aan vrienden en ouders kan laten zien wat het kan. In het programma wordt de leerlingen ook de mogelijkheid geboden om jongleervoorstellingen te organiseren waardoor de podiumpresentatie van de leerlingen en de cohesie op de school verbeteren. Het verbeterde zelfbeeld leidt tot meer inzet voor zowel motorische als intellectuele uitdagingen, waardoor een zichzelf versterkend systeem wordt gecreëerd.

Leerstijlen en het stimuleren van het leerproces

Scholen zijn in toenemende doordrongen van het feit dat leerlingen tal van uiteenlopende leerstijlen hebben. Toch vinden nog veel leraren het moeilijk om te werken met diverse stijlen, met name die het verst van hun eigen stijl afstaan. Het is interessant dat de leerstijlen waarmee de zeer verbale en ‘bureaugerichte’ leerkrachten het moeilijkst mee kunnen werken in het traditionele klaslokaal, de stijlen zijn die het eenvoudigst zijn toe te passen in een jongleerprogramma. Ruimtelijk georiënteerde leerlingen visualiseren graag jongleerpatronen.  Ze leren goed met video’s en houden er van om de jongleerpatronen te doorgronden met behulp van hun ‘innerlijk oog’. Muzikale leerlingen genieten van het ritmische karakter van jongleren. Lichamelijk en kinesthetisch georiënteerde leerlingen waarderen de mogelijkheid om in beweging te komen op een georganiseerde manier, de interactie met de ruimte en verkrijgen kennis door middel van lichamelijke gewaarwordingen. Sociaal gerichte leerlingen houden van de mogelijkheden van het uitwisselen, vergelijken, verbinden en samenwerken dat jongleren, en uiteindelijk een uitvoering, biedt. Zelfs naar binnen gerichte leerlingen kunnen betrokken raken bij jongleren als ze alleen kunnen werken, hun eigen doelen stellen, hun eigen interesses nastreven, en werken in hun eigen tempo en ruimte.

Het is zeker opmerkelijk dat leerlingen die goed zijn in logica en wiskunde, al lang geassocieerd worden met jongleren. Wetenschappers en onderzoekers die werken met computers, en met name wiskundigen, zijn oververtegenwoordigd bij de beste jongleurs. De deelnemers van jongleerfestivals hebben vaak een wetenschappelijke graad. Bell Labs, Microsoft, MIT, Stanford en Apple Corporation hebben allemaal al jarenlang een jongleerclub. Zelfs het internet heeft een enorme interesse in jongleren laten zien. Al meer dan 55.000 mensen hebben de jongleerinformatiedienst op internet bezocht. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het experimentele karakter van de kunst, waar beoefenaars patronen en relaties moeten uitvinden, werken met numerieke concepten, vragen stellen, complexen problemen verkennen en deze logisch oplossen.

Zelfs taalgerichte leerlingen kunnen worden betrokken bij jongleren, als zij er vroeg genoeg mee in aanraking komen Er is voldoende werk voor ze te doen in het presenteren of het vastleggen van de geschiedenis van de kunst. Poëzie of het vertellen van een verhaal bij het jongleren kan de manier zijn waarop deze ‘woordspelers’ kunnen worden betrokken.

Het lijkt riskant om dertig leerlingen los te laten in een klaslokaal met negentig voorwerpen (of meer) in de buurt om ermee te gooien, maar het tegendeel is waar. Jongleerbewegingen zijn klein en heel geconcentreerd. Leerlingen moeten enige zelfdiscipline hebben om goed mee te doen en leren al snel dat het jongleren beter gaat als ze zich beheersen. Geconcentreerd gedrag wordt automatisch beloond met succes. Het stap-voor-stap paradigma dat gebruikt wordt om te leren jongleren, kan gebruikt worden door de leraar als een model voor het leren van elke vaardigheid of vorm van discipline die dezelfde strategie vereist.

Voordelen op academisch terrein

Onderzoek heeft aangetoond dat er een directe relatie bestaat tussen hand-oog coördinatie en het vermogen om te lezen, schrijven en redeneren. Er zijn sterke aanwijzingen voor een relatie tussen jongleren aan de ene kant en lezen, wiskunde, schrijven en andere persoonlijke gebieden aan de andere kant. Het meest overtuigende bewijs voor een relatie komt tot nog toe naar voren uit het werk van dr. Carole E. Smith, specialist in lichamelijke opvoeding, Haar werk laat zien dat door te leren jongleren zowel het schrijven als de leesvaardigheid verbetert. Haar onderzoek bevestigt het gedachtegoed van Maria Montessori en Jean Piaget, die beiden de hypothese hadden dat grove motoriek en de tactiele sensatie cognitief leren bevorderen. Als elke leerling leert om te jongleren in de basisschoolleeftijd en ze voortdurend beloond worden om hun jongleervaardigheden te verbeteren, dan moeten hun academische prestaties dienovereenkomstig verbeteren.

Onderzoek toont ook aan dat als leerlingen regelmatig opstaan en energiek bewegen, ze theoretische vakken weer fris oppakken en dan beter leren. Wanneer jongleren als centraal thema wordt gebruikt, kan een klassikaal fitness programma in de pauzes door de leerlingen zelf worden opgezet en geleid. Omdat elke leerling in z’n eigen tempo werkt, met z’n eigen materiaal, en in een omgeving die prestatie en inspanning beloont, is de activiteit volledig veilig en zal deze niet verstorend werken. Jongleren is als het hebben van een rechter hersenhelft pauze in een linker hersenhelft dag’. Het is ‘low-impact aerobics’, waardoor de grote spieren dicht tegen het hoofd en het hart ritmisch en energiek geactiveerd worden, zodat bloed naar de hersenen gepompt wordt.

Een groot deel van de kinderen komt als ‘hangjongere’ naar school en de typische schoolomgeving maakt een ‘brave stilzitter’ van hen. Door het creëren van een verbinding tussen de school en de gymnastiekzaal of speeltuin, kan de leraar de leerling zien als een heel persoon, niet alleen als een ‘leerhoofd’. Vaardigheden kunnen worden geleerd die elke dag gretig op school zullen worden beoefend en elke avond en in het weekend thuis. Het is een leeractiviteit waar je je hele leven lang mee bezig kunt blijven. Jongleren brengt geen teamsport of competitie met zich mee. Het gaat om individuele vaardigheden en samenwerkingsactiviteiten die door de leerlingen in hun eigen tempo worden ontwikkeld.

Als leerlingen worden betrokken bij het onderwijs en evaluatieproces, leren ze veel meer dan wanneer ze gewoon onderwijs van een leraar krijgen in een vaardigheid of onderwerp. Het jongleerprogramma van Dave Finnigan is ontworpen om te worden ingeleid door een leraar, maar wordt beheerd door de leerlingen zelf. Het is niet nodig dat de leraar ook weet hoe je moet jongleren, maar dat zal bijna altijd het geval zijn, ongeacht wat de eerdere ervaring van de leraar met fysieke activiteiten is. Er zijn verschillende instructievideo’s voor kinderen die afgespeeld kunnen worden waardoor leerlingen direct mee kunnen doen met de kinderen op de video. Dit onderwijsprogramma voor kinderen bevat het formuleren en monitoren van doelen, waarbij leerlingen elkaars vooruitgang op een leuke en ongedwongen manier kunnen evalueren. Er zit geen negatief stigma op falen in deze evaluatie. Omgekeerd is er een grote mate van positieve beloning die inherent is aan samenwerken, doorzettingsvermogen, en het uiteindelijk verwezenlijken van de doelstelling. Discipline en regelmatig oefenen zijn natuurlijke resultaten van het proces, net zoals wanneer een groep vrienden elkaar uitdaagt om te leren skateboarden, frisbee gooien of hacky-sack spelen. Leren jongleren maakt gebruik van een stap-voor-stap zelfregulerend probleemoplossend systeem met automatische beloning op alle niveaus van prestatie.

Er zijn geen verliezers in dit proces, alleen maar winnaars!

Omdat je alleen stap voor stap kunt leren jongleren is jongleren is een geweldig model voor leren in het algemeen. Jongleervaardigheden nemen continu toe en leerlingen kunnen hun vorderingen zien en waarderen alsook de vordering van anderen vanaf de eerste les. Het is een activiteit die deelnemers onmiddellijk beloont voor oefening waarbij de opbrengsten rechtevenredig zijn met de duur en de kwaliteit van de inspanning. In dit verband is jongleren net als het oefenen van lezen, spelling of wiskunde. Op dit cumulatieve stapvoor stap leerproces kunnen leerlingen herhaaldelijk worden gewezen.

Leraren zouden jongleren en theorie in de volgende projecten met elkaar in verband kunnen brengen:

1. Het lezen van of maken van verslagen van boeken over het circus of de geschiedenis van het jongleren. 2. Het bijhouden van een dagboek van prestaties en records, waarbij wordt ingegaan op de frustraties en vorderingen. 3. Het uitzenden van leerlingen naar andere, nabijgelegen scholen om daar andere leerlingen te leren jongleren. 4. Het uitzenden van leerlingen naar bijeenkomsten in de wijk of van het onderwijs om ze daar te laten optreden. 5. Het deelnemen aan een jongleerfestival met de hele klas 6. Het maken van een excursie naar een circus om daar achter de schermen jongleurs te ontmoeten. 7. Het organiseren van jongleer spelletjes op de jaarlijkse sportdag. 8. Het maken van video ‘Hoe leer je jongleren?’ als klassikaal of individueel project.

En waarom zou je niet een eigen onderzoek doen naar de relatie tussen jongleren en lezen, gedragspatronen en andere zaken? Kijk of het lezen beter gaat als leerlingen zich beter kunnen concentreren en bij hun taak kunnen blijven. Je zult een daling van storend gedrag zien en verrast zijn om te ontdekken dat je beste jongleurs niet noodzakelijkerwijs de meest atletische leerlingen zijn. En je dacht dat jongleren iets was dat je alleen in het circus zag…

 

Bron: The benefits of learning to juggle for children