Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Categorie Archieven: Hersenen

Beweeg je brein

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt steeds duidelijker dat lichaamsbeweging niet alleen ons lijf maar ook ons brein in conditie houdt. Maar we bewegen almaar minder, tot spijt van prof. Erik Scherder. Beweging baat het brein van de wieg tot het graf, betoogt hij.  Onderstaand artikel gaat niet specifiek over jongleren, maar wie de positieve effecten daarvan wil begrijpen, moet ook naar de effecten van bewegen in het algemeen kijken.

Erik Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de VU Amsterdam, en hoogleraar bewegingswetenschappen in Groningen, hamert op het belang van lichaamsbeweging. Hij doet daar al jaren gedreven onderzoek naar; hij leeft het voor door zelf iedere dag een uur te fietsen, en hij loopt congressen af om zalen vol luisteraars voor te houden: Beweeg! Want dat is niet alleen goed voor je conditie, maar ook voor je de conditie van je brein.

“Je ziet de zaal dan altijd opveren”, zegt Scherder. “De meeste mensen weten niet dat je met lichaamsbeweging óók werkt aan je geheugen, aan je cognitieve functies. Lichaamsbeweging en cognitieve inspanning doen een beroep op dezelfde circuits in het brein; het betreft dezelfde neurale systemen. Verbindingen tussen hersengebieden waarvan we dachten dat ze alleen bedoeld zijn voor geheugenprocessen, blijken ook belangrijk te zijn voor motorische processen.”

Deze inzichten zijn niet nieuw, maar worden wel steeds duidelijker – onder wetenschappers althans, veel minder onder het grote publiek. ‘Lichaamsbeweging is bovenal een manier om je brein in conditie te brengen’, schrijft John Ratey, hoogleraar psychiatrie in Harvard, in zijn boek ‘Fit!’. ‘Spieren kweken, calorieën verbranden, hart en longen versterken: het zijn eigenlijk maar bijverschijnselen.’ Ook Ratey stelt: door te bewegen kun je je brein beïnvloeden. Beweging verbetert je leervermogen en geheugen, en blijkt heilzaam bij psychische klachten als stress, verslaving en depressiviteit. Zo is inmiddels voor depressie omstandig aangetoond dat running therapy een effectieve behandeling is.

Scherder knikt instemmend, en hoopt in de nabije toekomst te kunnen vaststellen of beweging óók beschermt tegen dementie. Uit epidemiologische onderzoeken blijkt dat dementie minder voorkomt bij mensen die hun hele leven lichamelijk actief zijn geweest, maar dit betekent nog niet dat hier een oorzakelijke relatie ligt: dat moet nader worden uitgezocht.

Is de energieke, sportieve prof van 59 jaar niet iets te optimistisch? Moeten we lichaamsbeweging als dé panacee gaan beschouwen tegen allerhande aandoeningen, van diabetes tot depressie en dementie? “Nee”, zegt Scherder nadrukkelijk, “ik wil juist voorzichtig blijven: het is géén Haarlemmer olie. Je hoort mij niet zeggen dat iedereen topsport moet gaan bedrijven en over zijn fysieke grenzen moet heengaan. Maar ik zeg wel: Word weer, of meer, lichamelijk actief. Dat heeft een gunstig effect op allerlei terreinen: op je weerstand, op je stemming; op de cognitieve kwetsbaarheid van ouderen, en op de cognitieve reserves die jongeren nog moeten opbouwen. Er zijn inmiddels talloze studies die deze positieve effecten laten zien.”

Helaas, weet Scherder al te goed, blijkt de laatste jaren de mate van activiteit bij gezonde kinderen en volwassenen alleen maar af te nemen. Het gemiddelde kind van tegenwoordig brengt door de week gemiddeld ruim zes uur per dag door achter een computer- of televisiescherm, en in het weekend meer dan zeven uur per dag. Van de volwassen Nederlanders haalt nog niet de helft de Norm Gezond Bewegen. Volgens deze norm moeten we iedere dag minimaal een half uur een ‘matig intensieve inspanning’ leveren, aan één stuk. Dus dertig minuten flink fietsen, zwemmen of wandelen – en niet alleen de hond uitlaten want dan sta je bij elke boom weer stil.

Scherder vindt het ‘zeer zorgelijk’ dat zo weinig mensen deze relatief bescheiden norm halen. “Ze denken misschien: ach, dan ben ik wat minder fit en krijg ik er wat kilo’s bij. Maar passiviteit heeft ook enorme consequenties voor je cognitieve functioneren, je stemming, je slaap-waakritme. Dat is van groot belang voor de kwaliteit van je leven nu, en in de toekomst. Hoe wil je ouder worden? Daar gaat het hier óók over!”

Hoe we ouder willen, of zullen, worden, dat beïnvloeden we al met onze mate van activiteit wanneer we nog heel jong zijn. Kinderen die op de basisschool extra lichamelijke inspanning verrichtten, lieten betere schoolprestaties zien dan vergelijkbare klasgenootjes die alleen de standaard gymlessen volgden.  Scherder: “Dat waren bescheiden bewegingsprogramma’s: rond een half uur extra bewegen per dag gaf al een significante verbetering. De aandacht en concentratie bij deze leerlingen verbeterden.”

Maakt bewegen ons dus ook al slimmer? Dat zou je best zo kunnen stellen, zegt Scherder. In ieder geval zorgt sporten voor een betere doorbloeding van het brein. “Met name de doorbloeding van de witte stof verbetert. Dat zijn de verbindingen in de hersenen die nodig zijn om nieuwe informatie en signalen te verwerken. De witte stof is kwetsbaar voor veroudering: op mijn leeftijd gaat die al achteruit. Ik merk dat doordat veel dingen wat trager gaan. Oudere mensen gaan langzamer lopen; ze denken ook langzamer. Maar”, – hij veert op en slaat strijdvaardig met zijn hand op tafel – ,,als ik zorg dat ik veel beweeg en dus een goede doorbloeding houd, dan rem ik dat proces.”

Een tweede belangrijke reden dat sporten ons slimmer, sneller en geconcentreerder kan maken is dat beweging een gunstig effect geeft op de neurotrofines in het brein – de ‘voedingsstoffen’ waardoor onze chemische huishouding beter functioneert. Scherder: “Dit is een soort Pokon voor de hersencellen: die zorgt voor betere netwerken.”

Lichaamsbeweging is voor kinderen en jongeren ook zo belangrijk omdat zij daarmee hun ‘cognitieve reserve’ aanleggen, betoogt de hoogleraar. “De prefrontale cortex in de hersenen ontwikkelt zich nog tot het 25ste levensjaar. Door te sporten versterk je de verbindingen in dat gebied. Dat geeft een buffer tegen aftakeling, want juist die prefrontale lob gaat bij ouderen als eerste achteruit.”

Zit een kind op een school die het uitdaagt, doet het aan sport, liefst ook aan muziek, dan komen er, dankzij deze ‘verrijkte omgeving’, meer vertakkingen in het jonge brein. “En daarmee wordt een reserve opgebouwd; je investeert daarmee in je toekomst, in je hele levensgeluk. Die verrijking kan nét het verschil maken, bijvoorbeeld dat je het gymnasium haalt.” Hij lacht en roept uit: “Ouders, maak u geen zorgen dat uw kind het te druk heeft, dat is juist prima!”

Gaat dat kind na het gymnasium misschien ook studeren, en krijgt het college van Erik Scherder, dan heeft hij ook voor deze groep weer een breinboodschap op maat: “Studenten, probeer nooit vier uur achter elkaar te studeren.” Het werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit, en na anderhalf uur is de aandacht weggezakt. Ga dan een half uur joggen, adviseert Scherder: daarna zit je twee keer zo efficiënt te blokken.

Die student wordt ouder, en – rond een jaar of veertig, vijftig – wat zwaarder, wat minder energiek. Wie ervoor zorgt dan lichamelijk actief te blijven – of te worden – vermindert zijn of haar risico op hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en suikerziekte. “Dat weten veel mensen wel”, zegt Scherder, “maar ze weten vaak niet dat juist dit belangrijke risicofactoren zijn voor dementie – de ziekte die voor iedereen een schrikbeeld is.”

Het is nooit te laat om te beginnen met bewegen, zegt hij geruststellend. Ook wie de 25 al ruimschoots is gepasseerd en dan pas de sportfiets ontdekt, verbetert daarmee nog zijn conditie, gezondheid, stemming – én vermindert het risico op dementie.

Bron: Trouw, Eveline Brandt − 27/03/11

 

Het effect van jongleertherapie op angststoornissen

In Japan is door de afdeling Psychosomatische Geneeskunde van de Universiteit Kagoshima in 2006 onderzoek gedaan naar het effect van jongleertherapie op vrouwelijke patiënten met angststoornissen. De uitkomsten tonen aan dat jongleren effectief kan zijn bij de behandeling van angststoornissen.

Verschillende therapieën, waaronder psychotherapie en cognitieve gedragstherapie zijn beschikbaar voor de behandeling van angststoornissen. Hoewel er in het verleden weinig onderzoek is gedaan naar alternatieve therapieën, rapporteren een aantal recente studies over hun werkzaamheid bij patiënten met posttraumatische stressstoornissen (PTSS), algemene angststoornissen door middel van kruidentherapie, angst- en stemmingsstoornissen door middel van verschillende complementaire therapieën, angststoornissen door middel van yoga therapie, en angststoornissen door meditatie en ontspanning. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een integrale psychotherapeutische aanpak die telkens als effectief wordt beoordeeld voor de behandeling van verschillende angststoornissen, zoals PTSS, paniekstoornissen en fobieën. Hoewel tegenstrijdige uitkomsten zijn gerapporteerd voor de werkzaamheid van EMDR, wordt de werkzaamheid van deze therapie als laag tot matig beoordeeld. Aanvankelijk kwam uit onderzoek naar deze therapie naar voren dat het snel bewegen van de ogen van de ene kant naar de kant storende gedachten en de daarmee samenhangende angst vermindert. Momenteel worden ‘rapid eye movement’ methoden soms vervangen door ‘soepele achtervolgende’ oogbewegingen en bilaterale stimulatie. ‘Soepele achtervolgende’ oogbewegingen, bilaterale tikken en bilaterale tonen zijn even effectief gebleken als snelle oogbewegingen.

Jongleren (otedama) heeft een 3000-jarige geschiedenis in Japan. Het kwam voor het eerst voor in de Nara en Heian periode (8e – 9e eeuw). Tot op heden blijft dit ‘spel’ groeien in populariteit. Een eerder rapport heeft aangetoond dat het jongleren met drie ballen de groei van de grijze stof in het midden van de temporale kwab vergemakkelijkt. Een ander rapport suggereert dat de midtemporale kwab betrekking kan hebben op expliciete conditionering taken. Fysieke beweging in de vorm van meditatie en yoga therapie kan angst verminderen door middel van ontspanning. Met betrekking tot angststoornissen stelt een rapport dat de temporaalkwab betrokken is bij het ontstaan van een paniekaanval. Deze bevinding suggereert dat visuele informatie over beweging en fysieke beweging het psychoneurologische netwerk kunnen verbeteren.

Het onderhavige onderzoek is de eerste poging om het therapeutische effect van jongleren op angststoornissen aan te tonen. De hypothese is dat jongleertherapie bijdraagt aan verlaging van angst van de patiënt door veranderingen in de verwerking van het emotioneel geheugen.

De proefpersonen in deze studie waren 17 vrouwelijke poliklinische patiënten met angststoornissen, die aan de diagnostische criteria van de DSM-IV voldeden (6 voor paniekstoornissen, 4 voor PTSS, 4 voor obsessieve-compulsieve stoornissen en 3 voor algemene angststoornissen (GAD). Geen enkele proefpersoon had een drugs- of alcoholverslaving, of een andere comorbiditeit. Alle proefpersonen werden behandeld met standaard psychotherapie, medicatie en begeleiding. Tijdens de 6-maanden durende studie periode werden anxiolytica en antidepressiva voorgeschreven, maar de doses werden tijdens de studie niet gewijzigd. In de laatste 3 maanden van de behandeling, werden de proefpersonen random verdeeld in twee groepen. De ene groep kreeg jongleertherapie en de andere niet. De proefpersonen in de jongleergroep werd het klassieke cascade patroon met balletjes aangeleerd. Ze oefenden ongeveer 5 minuten, tweemaal per dag. Het verschil in het therapeutisch effect werd geschat met behulp van scores op de State-Trait Anxiety Inventory (STAI), Profile Of Mood Status (POMS) en Franchay Activity Index (FAI), die afgenomen werden vóór de behandeling, na 3 maanden van de behandeling (vóór de jongleertherapie), en aan het eind van beide behandelingen (na 6 maanden). Betrekking tot de statistische analyse werden de psychologische test scores vergeleken met behulp van een ANOVA voor herhaalde metingen en de Scheffe’s post hoc toets. Alle resultaten werden beschouwd als significant (bij p <0,05). Er werden geen verschillen tussen de 2 groepen waargenomen met betrekking tot demografische kenmerken.

De angstscores in de jongleergroep waren sterker afgenomen dan in de niet-jongleergroep. Deze bevinding suggereert dat jongleertherapie angst kan verminderen door verwerking van visuele bewegingsinformatie (EMDR). Er is gerapporteerd dat oogbewegingen angst-herinneringen verminderen of de levendigheid van deze herinneringen. Dit effect kan bij de jongleergroep tot een snellere ‘oplossing’ van angst en emotionele nood hebben geleid dan bij de niet-jongleergroep. De activiteit van de voorste cingularis cortex (ACC) en laterale prefrontale cortex (PFC) is gewijzigd bij personen met een hoger angst niveau en de dorsale regio van ACC is gerelateerd aan interoceptief bewustzijn. Dus een verbetering op angstscores door middel van jongleren kan het gevolg zijn van dergelijke veranderingen in de verwerking van emotioneel geheugen en lokale hersenactiviteit.

Aan de andere kant kunnen jongleren of vergelijkbare lichaamswerk therapieën de toestand van de patiënten hebben vergemakkelijkt door middel van ontspanning. Van lichaamswerk therapieën, zoals yoga, meditatie en ontspanning, is gerapporteerd dat ze effectief te zijn bij emotionele controle. Een verstoorde beheersing van de aandacht bij de dreiging van angst is eerder gevonden, dus de lichaamsgewaarwording bij jongleertherapie kan hebben bijgedragen om de aandacht beter te beheersen en het homeostatische proces te ondersteunen, zoals EMDR. Sinds stemming scores, zoals verwarring en vermoeidheid, niet verbeterden, kan jongleertherapie een specifieke en beperkte invloed hebben op de activiteit van de hersenen, evenals andere alternatieve therapieën.

Het onderzoek kent een aantal beperkingen. Ten eerste is, omdat het aantal deelnemers klein was, een brede definitie van angststoornis gebruikt. Maar er is gerapporteerd dat een angststoornis samengaat met andere pathologieën. Ten tweede, het therapeutische effect is alleen geschat met behulp van psychologische testen, zonder beoordeling van de hersenfunctie. Hypo- in plaats van hyperactivatie van de PFC is gemeld bij PTSS patiënten tijdens de welbespraaktheid test. Daarom is verder onderzoek met behulp van MRI, PET en/of SPECT nodig om te onderzoeken welke locaties in de hersenen verantwoordelijk zijn voor het therapeutische effect van jongleren.

Het onderzoek heeft het angstverlagende effect van jongleertherapie bij patiënten met angststoornissen aangetoond. Jongleertherapie kan gemakkelijk worden uitgevoerd in combinatie met andere vormen van therapie voor patiënten met een verhoogde angstniveaus.

bron: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1876467

Jongleren lijkt de executieve functies te verbeteren

“Executieve functies” staan bij psychologen tegenwoordig in het middelpunt van de belangstelling. Ze bepalen veel meer dan het IQ of een kind het schoolleven aankan. Impulscontrole is een van die executieve functies. Kinderen met de tegenwoordig veel uitgedeelde diagnosen ADHD en autisme vertonen tekortschietende executieve functies.  Lichaamsbeweging die ontspannend en niet-competitief is, en gecombineerd wordt met aandacht, lijkt te helpen.  Valt jongleren niet in die categorie van beweging?
Hieronder volgt de volledige tekst van het artikel dat in de Volkskrant is verschenen.

Pubers die gaan experimenteren met drugs hebben een hersengebiedje dat te weinig actief is. Daarmee onderscheiden ze zich van 14-jarige pubers die wel nicotine en alcohol hebben geprobeerd, maar nog niet aan andere drugs hebben gezeten. En van leeftijdgenoten met milde ADHD die hun impulsen ook niet altijd in bedwang houden op een manier die hun opvoeders graag zouden zien.

Te weinig impulscontrole is een van de kenmerken van ADHD, de meest voorkomende hersenontwikkelingsstoornis, maar ook van drugsgebruik, roken, alcohol drinken, opstandig en risicovol gedrag en jeugdcriminaliteit. Bij de start-stoptest waarmee psychologen impulscontrole meestal meten, krijgen proefpersonen steeds een pijltje te zien dat aangeeft: druk op de linker of rechter knop. Af en toe verschijnt er binnen honderden milliseconden een stopteken: niet drukken. In hoeverre mensen daar nog in slagen, dat is een maat voor de impulscontrole.

Zo’n test geeft vaak één uitkomst voor allerlei soorten impulsiviteit. Maar puberhersenen hebben in totaal zeven verschillende zenuwnetwerken die een impuls goed kunnen onderdrukken. En zes verschillende zenuwcircuits die bepalen of de impulscontrole ontbreekt. Dat vond een grote groep Britse, Franse, Duitse, Amerikaanse en Canadese hersenonderzoekers die bijna 1.900 14-jarige pubers in fMRI-scanners een impulscontroletest hadden afgenomen. Van die 1.900 was ook bekend of ze een lichte vorm van ADHD hadden, of ze al eens hadden gerookt en alcohol gedronken of ze met drugs hadden geëxperimenteerd. Dit onderzoek is veruit het grootste dat ooit onder pubers naar impulscontrole en hersenwerking is gedaan. De resultaten zijn zondag online gepubliceerd in Nature neuroscience.

En hoewel de ADHD’ers op de neuropsychologische test vrijwel gelijk scoorden als de pubers die al eens met drugs hadden geëxperimenteerd, liet de fMRI-scanner zien dat er in hun hoofd andere zenuwcircuits actief waren. De ene impulsiviteit is de andere niet, concluderen de onderzoekers.

Ze schrijven ook dat ze helderheid brengen in een oude kip-eikwestie: ontstaat hersenactiviteit die gevoelig maakt voor meer drugsgebruik door het eerste drugsgebruik, of is die bedreigende hersenactiviteit er al?

Die is er vaak al, zegt een van de onderzoeksleiders, Hugh Garavan, in een persbericht van de universiteit van Vermont. Pubers met verminderde activiteit in een zenuwnetwerk in een hersendeeltje dat net achter de oogkassen ligt (orbitofrontale cortex) hebben beduidend vaker met sigaretten, alcohol en drugs geëxperimenteerd dan leeftijdsgenoten die daar in de fMRI-scanner meer activiteit vertonen. fMRI is een techniek waarmee de stofwisselingsactiviteit in aparte hersengebieden kan worden gemeten. Bij individuen zijn de verschillen meestal niet duidelijk, maar door veel metingen te ‘middelen’ zijn voor het eerst verschillende hersengebieden voor impulsiviteit­regulatie gevonden die in eerdere onderzoeken met veel minder proefpersonen in de ruis verborgen bleven.

Impulscontrole zorgt ervoor dat een mens geen ‘gekke dingen doet’. Niet een politieagent schopt, een dier martelt, met spullen smijt, een onbereikbare liefde toch de liefde verklaart, veel te hard met een brommer over de stoep rijdt. Vooral pubers zijn berucht om hun impulsiviteit. Het is een ,,normaal onderdeel van hun ontwikkeling”, schrijven de onderzoekers. Nadeel is dat het risicogedrag dat er uit voortkomt in de geïndustrialiseerde wereld de belangrijkste doodsoorzaak voor pubers is.

De vraag is dan ook hoe een hinderlijk tekort aan impulscontrole ontstaat en of er iets tegen te doen is. De onderzoekers hebben daar geen antwoord op. Het kan genetisch zijn (daarvoor presenteren ze één aanwijzing), maar ook door opvoeding, scholing en levenservaringen zijn ontstaan. In de laatste zinnen van hun artikel verwijzen ze naar een review die vorig jaar in Science verscheen (zie inzet), waarin wordt beschreven welke trainingen wetenschappelijk bewezen effectief zijn om vier- tot twaalfjarigen betere impulscontrole te bezorgen.

Impulscontrole is een van de ‘uitvoerende functies’ – of: executieve functies – die een mens moet beheersen om goede schoolresultaten te halen, en om succes te hebben op het werk en in relaties, zoals een gezin. Goede executieve functies zorgen ervoor dat je flexibel en creatief bent, dat je zelfcontrole hebt en gedisciplineerd bent.

Die executieve functies staan bij psychologen tegenwoordig in het middelpunt van de belangstelling. Ze bepalen veel meer dan het IQ of een kind het schoolleven aankan. Kinderen met de tegenwoordig veel uitgedeelde diagnosen ADHD en autisme vertonen tekortschietende executieve functies.

Groot probleem is wat er precies onder die executieve functies valt, hoe je ze meet en hoe je ze verbetert. In een review in Science (19 augustus 2011) schreven Adele Diamond en Kathleen Lee van de University of British Columbia in Vancouver wat zeker onder executieve functies valt: mentaal kunnen spelen met ideeën, een weloverwogen in plaats van een impulsieve reactie kunnen geven, en je aandacht kunnen richten. Mindfulness, lichaamsbeweging die ontspannend en niet-competitief is, vechtsporten die lichaamsbeweging en aandacht combineren, sommige trainingen in de klas – die lijken te helpen.

Bron: Volkskrant

 

Jongleren verhoogt hersenkracht

Volgens wetenschappers van de universiteit van Oxford zorgen complexe taken zoals jongleren voor een significante verandering in de structuur van de hersenen.
In het tijdschrift Nature Neuroscience zeggen de wetenschappers dat ze een stijging van 5% in de witte stof, het ‘bekabelingsnetwerk’ van de hersenen, zagen. De mensen die aan de studie deelnamen, werden in zes weken getraind en hadden er voor en er na een hersenscan. Op de lange termijn kan het een bijdrage leveren bij behandeling van ziekten zoals multiple sclerose.

Diffusie MRI
Het Oxford-team van de afdeling Klinische Neurologie maakte gebruik van een diffusie MRI die in staat is om de beweging van watermoleculen in het hersenweefsel te meten. Het signaal verandert afhankelijk van hoeveel bundels van zenuwvezels er zijn en hoe stevig ze verpakt zijn.
Veranderingen in de grijze stof, waar verwerking en berekening in de hersenen gebeurt, zijn eerder zichtbaar gemaakt, maar een toename van de witte stof was nog niet eerder aangetoond.

De drie ballen cascade
De wetenschappers bestudeerden een groep van 24 gezonde jonge volwassenen, die geen van allen konden jongleren. Ze verdeelden hen in twee groepen. Een van de groepen kreeg gedurende zes weken een wekelijkse training in jongleren en werd gevraagd om elke dag 30 minuten te oefenen. De twaalf anderen gingen gewoon verder. Na de training konden de 12 jongleurs tenminste twee rondjes van de klassieke drie ballen cascade uitvoeren.
Beide groepen werden voor en na de training gescand met behulp van diffusie MRI. In de 6e week werd bij de jongleurs een toename van 5% in de witte stof aangetoond in de intraparietal sulcus, het achterste gedeelte van de hersenen. In dit gebied liggen de zenuwen die reageren op ons reiken naar en grijpen van objecten in onze perifere visie.
Er was een grote variatie in het vermogen van de vrijwilligers te jongleren, maar bij allen waren veranderingen in de witte stof te zien. Het  Oxford-team zei dat dit toe te schrijven is aan de tijd die aan trainen en oefenen is besteed in plaats van het bereikte vaardigheidsniveau.
Dr. Heidi Johansen-Berg, die leiding gaf aan het team, zei: “MRI is een indirecte manier om de structuur van de hersenen te meten en dus kunnen we er niet zeker van wat er precies verandert wanneer deze mensen leren. Toekomstig onderzoek zal moeten nagaan of deze resultaten het gevolg zijn van veranderingen in de vorm of het aantal zenuwvezels of van een groei van de isolerende myelineschede rond de vezels. Natuurlijk betekent dit niet dat iedereen moet gaan leren jongleren om z’n hersenen te verbeteren. We hebben voor jongleren gekozen, louter om mensen een nieuwe complexe vaardigheid te laten leren.”

Het rode gebied toont het deel van de witte stof van de hersenen dat is vergroot door te leren jongleren
Het is in het intraparietal sulcus aan de achterkant van de hersenen.

Klinische toepassingen
Dr. Johansen-Berg zei dat er klinische toepassingen voor dit werk zijn, maar er is nog een lange weg te gaan.”De kennis dat paden in de hersenen verbeterd kunnen worden, kan op lange termijn van betekenis zijn bij het bedenken van nieuwe behandelingen voor neurologische aandoeningen, zoals multiple sclerose waarbij deze paden worden afgebroken.”
Professor Cathy Price, van de Wellcome Trust Centre for Neuroimaging, zei: “Het is ontzettend spannend om bewijs te zien dat training de menselijke witte stof verbindingen verandert. Dit is een aanvulling op ander werk dat aantoonde dat grijze stof door training verandert. En het motiveert verder onderzoek om de cellulaire mechanismen die ten grondslag liggen aan deze effecten, te begrijpen.”

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/8297764.stm  (oktober 2009)

Een hersenscan van een jongleur

BBC ONE heeft in 2010 de TV-serie ‘Bang Goes The Theory’ uitgezonden. Een aflevering ging over de vraag: ‘Can you train your brain?’  Deze aflevering bevatte een test waaruit bleek hoe jongleren de grijze cellen in de hersenen laat toenemen. Interessant zijn de beelden van de hersenscans. Klik hier om de video te bekijken.

Jongleren maakt de hersenen zwaarder

 Hersenen van mensen die leren jongleren krijgen meetbaar meer grijze stof . Vooral de gebieden die de verwerking van de visuele informatie beheersen, worden tot procenten vergroot. In de bewegingscentra zijn geen wezenlijke veranderingen te zien.

Dit blijkt uit een onderzoek met een hersenscanner van de universiteit van Jena en Regensburg, dat is gepubliceerd in Nature. Volgens de onderzoekers is het voor het eerst dat wordt bewezen dat volwassenen menselijke hersenen nog in omvang kunnen veranderen, behalve dan door ziekten of ouderdom. Dat was tot nog toe alleen gezien in dierstudies.

De onderzoekers scanden het brein van 24 vrijwilligers driemaal bij aanvang van het experiment, nadat de helft had leren jongleren met drie ballen, en nog eens drie maanden later, toen de meesten het weer verleerd waren.

In de groep van twaalf jongleurs werd in de visuele centra bij de slaap en de linker frontale kwab gemiddeld 3 procent meer grijze stof gemeten dan bij niet-jongleurs. Na drie maanden, waarin de jongleurs niet meer mochten oefenen, verdween daarvan gemiddeld de helft weer. De hersenen van de niet-jongleurs bleven gedurende de proefperiode onveranderd.

Bron: Volkskracht 24 januari 2004

Wat is de betekenis hiervan voor het dagelijks leven?

De veranderingen kunnen volgens de wetenschappers het gevolg zijn van een toename van celproductie of door veranderingen in de verbindingen tussen de hersencellen. Dr. May die het onderzoek leidde, ziet zichzelf nu uitgedaagd om deze kennis nu toe te passen voor de bestrijding van ziekten.

Dr. Vanessa Sluming, docent in medische beeldverwerking aan de universiteit van Liverpool heeft eerder musici bestudeerd en gevonden dat zij meer hersencellen hebben dan niet-spelers. Zij geeft aan dat het onderzoek naar jongleren interessant is omdat het is uitgevoerd onder volwassenen die een nieuwe vaardigheid moesten leren in plaats van te kijken naar mensen die een vaardigheid als kind hebben geleerd. Maar ze tekent daarbij aan dat de onderzoekers alleen een tijdelijke toename hebben gevonden. Het zou interessant zijn om te weten hoe deze verkregen grijze stof kan worden behouden. Betekent dit dat je continu de verworven vaardigheid moet blijven praktiseren? Of heb je op een gegeven moment genoeg gedaan om het te behouden? Het onderzoek toont volgens haar aan dat hetgeen we in het dagelijkse leven doen niet alleen invloed heeft op hoe onze hersenen functioneren maar ook op de structuur op een microscopisch niveau.

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/3417045.stm

Een verhandeling over jongleren en gezondheid

 “Ga met deze drie ballen jongleren en bel me in de ochtend …”
Zou u niet graag uw arts die woorden horen zeggen en het menen? Nou, blijkbaar is er veel meer te doen rond jongleren dan op het eerste gezicht lijkt. Hier en daar zijn onderzoekers dingen over onze hersenen en organen te weten gekomen die er op duiden dat jongleren een waardevolle bijdrage kan leveren aan een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Een Princeton onderzoeker, Les Fehme (zie Brain/Mind Bulletin vol. 8, nr. 9. 1983), stelt dat we onze algemene prestaties in het leven kunnen verbeteren door verbreding van onze focus. Jongleren is een uitstekende manier om dat te doen. Hij beweert dat de meeste mensen een smalle focus hebben en een gebrek aan bewustzijn van hun eigen lichamelijke sensaties en  emoties. Deze smalle focus kan zeer boeiend en nuttig zijn, zoals bij praten over de telefoon, het besturen van een motorfiets of het krijgen van een massage. Het is alsof er niets anders bestaat, behalve dat. Bij het leren jongleren kan de smalle focus worden gericht op een bepaalde bal of kegel.

Deze smalle focus stemt overeen met de opmerkingen dat we leven in een maatschappij die de dingen ziet als fragmenten in plaats van holistisch. Maar dingen veranderen. En heel misschien helpt jongleren om dat te veranderen.
In 1983 heeft een Canadese onderzoeker, Justine Sergent, van de McGill University in Montreal, bewijs gevonden dat het idee dat de linker hersenen analytisch en rechter hersenhelft holistisch is, ontkracht. In plaats daarvan tonen haar bevindingen aan dat de linker hersenhelft beter is in gedetailleerde verwerking (de smalle focus) en de rechterhersenhelft in grotere aspecten van de waarneming. De bevindingen tonen ook aan dat beide zijden van de hersenen analytisch en holistisch zijn. Deze studie geeft wellicht ook een verklaring voor het feit dat er meer rechtshandige mensen zijn, namelijk omdat we als maatschappij het leven en de dingen als fragmenten zien (een bal of kegel in plaats van een patroon).

Maar wanhoop niet. Een ‘opvallende’ ontdekking van Brenda Spiegler, een onderzoeker van het kinderziekenhuis in Washington (zie Brain/Mind Bulletin vol. 19, no. 6, 1984) toont aan dat linkshandigheid toeneemt. Niet alleen dat, maar volgens een test uitgevoerd op het Mount Union College in Alliance, Ohio (zie Perspective vol. 2, no. 4. 1980), scoorden de linkshandigen hoger op creativiteit dan rechtshandigen, ongeacht hun leeftijd. Het ging om vier aspecten van creativiteit: flexibiliteit, welbespraaktheid, originaliteit en detaillering.
Aangezien de rechter hersenhelft normaliter geassocieerd wordt met creativiteit, is elke activiteit die helpt bij het ontwaken van deze onderdrukte hersenhelft zeker welkom. Begin te jongleren! Wie durft te beweren dat jongleren geen gebruik van beide zijden van de hersenen maakt? Beide handen worden bij jongleren gebruikt, of niet?

Jongleurs leren in een smalle focus situatie. Herinner hoe de meeste mensen beginnen te lezen. Allereerst leren ze de letters (de bal of kegel) te herkennen. Dan leren ze het woord (het jongleerpatroon) te herkennen. Echter, zodra het basis jongleerpatroon (het woord) is geleerd, dan kan de focus verschuiven naar een hoger vaardigheidsniveau (de woorden worden een zin). Een voorbeeld hiervan is een jongleur op een rola-bola.
Als een volleerd jongleur een nieuw kunstje wil leren, moet de focus opnieuw smal zijn, de bal of kegel moet de aandacht krijgen (een linker hersenhelft activiteit). Net als een beginner, moet hij of zij zich richten op het gooien van een kegel met een dubbele spin vanuit de rechterhand voordat de linkerhand een kegel achter de rug langs kan gooien.

Jongleren, zoals het leven zelf, lijkt een paradox. Om te vangen moeten we niet reiken. Om het patroon te zien, moeten we niet naar de delen kijken. Om te leren moeten we afleren.
Afleren van wat? Stoppen met gewoonten. Stoppen en bewust worden wanneer iets lukt, maar in staat te zijn om te pauzeren wanneer je merkt dat niet goed gaat. Dit cruciale moment van pauzeren is volgens Michael Gelb, auteur van Body Learning (zie Brain Mind Bulletin vol. 9, no. 3, 1984) wanneer een gedachte opkomt, en het zijn deze gedachten die onze oude gewoonten zullen doorbreken. We moeten ook anderen die bekwaam zijn, observeren. Beelden van excellentie zien er altijd gemakkelijk uit. “Experts laten wat ze doen er altijd eenvoudig uitzien,” zegt Gelb. Kijk vervolgens hoe het voelt om die taak te doen, te leren met je lichaam. Kunt u jongleren nadat je drie boeken over jongleren hebt gelezen? En na vijf of twintig?

Bij het mensen leren jongleren, leren ze sneller wanneer ze gevraagd worden om elke keer als ze iets verkeerd hebben gedaan, dat te vertellen. In het begin hebben ze geen besef van hun verkeerde bewegingen. Als ze die eenmaal herkennen, kunnen ze die elimineren.

Is het mogelijk dat ik meer van het jongleren maak dan het werkelijk inhoudt? In 1984 zond de Public Broadcasting System zond een serie van acht programma’s uit, getiteld “The Brain”. Op een bepaalde avond toonden ze hoe energie beweegt langs neuronen horizontaal van de achter- naar de voorkant van de hersenen voor het gezichtsvermogen. En energie beweegt van boven naar beneden, ofwel verticaal, voor beweging. Terwijl dit alles werd uitgelegd, was een jongleur gezien op het scherm. Ik vroeg me af waarom ze een jongleur gebruikten om deze delicate werking de hersenen te illustreren. Volgens Bonnie Benjamin, een woordvoerster van de producenten van de serie, werd de scène werd gebruikt om te illustreren waar twee paden in de hersenen samenkomen: zicht en beweging. George Page, verteller van de serie, zei het volgende: “Het aanleggen van paden is de kern van alle geleerde beweging. De hersenen moeten telkens weer experimenteren voordat het de beste route van de ene zenuwcel naar de andere kan ontdekken. Bij het uitvoeren van een handeling waarbij zicht belangrijk is, moeten twee systemen, zicht en beweging, uitvinden waar en hoe ze elkaar kruisen. Een voor een, verbinden de neuronen zich met elkaar. Een verbinding wordt verlengd. Spoedig is het een spoor en uiteindelijk een pad. Samenwerking tussen deze twee routes kan alleen worden bereikt door middel van herhaling.”

Daarom kan je alleen leren jongleren door te oefenen. De eenvoudigste beweging vereist een complex elektrisch/chemisch circuit in de hersenen. Onderzoek naar dit circuit wordt steeds een belangrijker onderdeel van de neurowetenschappen. Misschien zullen neurochirurgen op een dag een jongleur elektronisch aansluiten op een monitor en de activiteit van neuronen kunnen volgen die tijdens het jongleren heen en weer gaat tussen de twee hersenhelften… op de grootste van alle paden in de hersenen – het corpus callosum.

Oefenen lijkt het sleutelwoord in “deze jongleer kwestie”. Neurowetenschappen vertellen ons dat oefening de gewenste paden in de hersenen creëert of bouwt. Maar speelt er nog meer mee? Mogelijk. Morfogenetische velden. Morfische resonantie. Bijnaam: M-velden. Het is een theorie die wetenschappelijk is getest door dr. Rupert Sheldrake uit Engeland. In essentie zegt hij dat door het creëren van een fysiek pad in je hersenen niet alleen jijzelf een betere jongleur wordt, maar er ook voor zorgt dat anderen beter kunnen worden, via het  M-veld.

Maar we zijn een volk dat onszelf graag onder druk zet, zelfs als we weten dat het maar om een spelletje gaat. Hoe kunnen we dan leren jongleren, deze nieuwe informatie in ons opnemen, met minder stress? Nou, er zijn ten minste twee artsen die daar een mening of een gevoel over hebben. Op een conferentie in Chicago in 1983 met als titel “De genezende kracht van de lach en het spel” begon dr. Carl Simonton zijn lezing voor ongeveer 750 mensen met korte instructie hoe te jongleren. Vervolgens werden aan elke persoon drie marshmallows uitgedeeld. Op een teken vlogen 2250 marshmallows rond op zoek naar het M-veld patroon! Onnodig te zeggen dat dr Simonton een statement had gemaakt. Jongleren is leuk.

Dr. Steve Allen Jr. geeft workshops in stressmanagement. Hij gebruikt jongleren niet alleen als een belangrijke instrument voor stressverlaging, maar hij voegt eraan toe dat “er iets krachtigs in herhalende oefeningen zoals jongleren zit,” als ze betrekking hebben op de gezondheid. Bovendien, maakt Dr Allen gebruik van jongleren om stress te verminderen, omdat het de ‘creatieve kracht van dwaasheid’ naar boven brengt, die oorspronkelijk werd gedefinieerd als ‘gezegend, welvarend en gezond’. Toch, het belangrijkste punt van dr Allen voor zijn cliënten/patiënten is: “houdt het gewoon leuk … en speel!”

Er zullen altijd mensen zijn die een heel duidelijk doel willen of moeten hebben om te gaan jongleren voordat ze het uitproberen. Dus voor deze groep… rapporteert Healthwise magazine dat Dartmouth Medical School heeft aangetoond dat roeien de beste oefening is als het om maximale aerobe stimulatie gaat. De reden voor het onderzoek was om erachter te komen wat voor activiteiten oude mensen (85 jaar en ouder) zouden kunnen doen die bijgedragen aan een langere levensduur. Ze keken ook naar joggers en dirigenten. De conclusie die de schrijver uit het Dartmouth onderzoek trok, was dat “het verstandig zou zijn om elke dag armoefeningen uit te voeren en de muziek die we thuis beluisteren zelf te dirigeren.” Dus begin nu met jongleren; een armoefening, zoals er geen andere is.

Auteur: George Niedzialkowski  (zie www.juggling.org/jw/86/1/health.html)

Beweging houdt het brein fit

Lichamelijke activiteit is goed voor het brein. Wie kent die reflexen niet, wanneer je bijvoorbeeld iets heets aanraakt? Op dat moment gaat er een signaal naar de hersenen. Die sturen op hun beurt pijlsnel een signaal terug naar de spieren: terugtrekken die hand! Zo’n beweging gaat bijna automatisch. Bijna niemand realiseert zich dat de hersenen de basis vormen voor het aansturen van de spieren. Reden genoeg voor de Hersenstichting om de Nationale Hersenweek in 2008 het motto Hersenen in beweging mee te geven.
Prof. dr. Peter Beek van de faculteit Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit was één van de sprekers tijdens de Hersenweek.

Uit onderzoek van de Universiteit van Dublin blijkt dat bewegen goed is voor het brein. Door [intensieve] inspanning komt in de hersenen een stofje in actie met de naam BDNF [Brain Derived Neurotrophic Factor]. Dat eiwit bevordert niet alleen de vorming van nieuwe hersencellen en de verbindingen daartussen, maar er gaat ook een preventieve werking vanuit: het helpt hersencellen te overleven. Zo heeft lichamelijke activiteit mogelijk een gunstig effect op het voorkomen van ziekten als die van Parkinson en Alzheimer.

Prof. dr. Peter Beek plaatst wel een kanttekening bij de relatie tussen hersenen en bewegen. Volgens hem is niet alleen lijfelijke inspanning belangrijk. Voor de hersenen is een combinatie van lichamelijke én geestelijke training, het beste.

Beek: “Die twee moeten samengaan of elkaar afwisselen. Allebei zorgen ze voor een continue reuring in het brein, waarbij cellen met elkaar wedijveren om bij een activiteit betrokken te raken. Onderzoek aan onder meer de VU wijst uit dat bij een hersenbeschadiging gedeeltelijk herstel kan ontstaan door zowel het lichaam als de hersenen te trainen. Wie een leven lang intensief heeft bewogen én gedacht, met een gezonde geest in een gezond lichaam, is bijvoorbeeld beter bestand tegen de gevolgen van een beroerte dan iemand die dat niet heeft gedaan.”

Volgens Beek hebben alle manieren van bewegen een positief effect op het brein, of het nu om voetbal, tai chi of dansen gaat. Bewezen is dat bewegen goed is voor bot- en spiercellen. Maar, zo blijkt uit onderzoek van het Salk Instituut in Californië, bewegen heeft waarschijnlijk ook een gunstige uitwerking op zenuwcellen. Momenteel doet onder andere het Universitair Medisch Centrum te Utrecht hier nader onderzoek naar. Eén ding staat vast: dagelijks komen er nieuwe hersencellen en verbindingen bij en worden er oude opgeruimd.

“Het brein is geen statisch geheel zoals lang werd gedacht,” zegt Beek. Sommige cellen zijn succesvol en gaan een functionele eenheid vormen, andere cellen bezwijken. Deels hebben we zelf in de hand hoe onze hersenen zich ontwikkelen. Je bent hoe je beweegt, zal ik maar zeggen. Het brein is qua structuur een optelsom van de dingen waartoe we ons hebben gezet. Om een leven lang te kunnen leren, zijn de hersenen voortdurend in ontwikkeling.”

De hersenen hebben verschillende functies. Evenwicht, coördinatie en concentratie zijn de belangrijkste. Door middel van oefeningen kunnen we deze hersenfuncties trainen. Zo zijn wandelen en nordic walking [langlaufen zonder sneeuw], effectieve middelen om te werken aan meer balans. Van wandelen is al aangetoond dat het helpt tegen depressies. Ook jongleren is goed voor de hersenen. Dat blijkt volgens Beek uit onderzoek aan de Duitse Universiteit van Jena, waarbij 24 studenten in twee groepen waren verdeeld.

“De eerste groep leerde drie maanden lang jongleren, de tweede groep ging gewoon naar college. Van alle proefpersonen werden voor en na het leren de hersenen gescand, en bij de tweede groep waren geen veranderingen waarneembaar in het brein. Bij de jongleursgroep daarentegen bleek zich meer grijze stof in de hersenen te bevinden; het deel van het centraal zenuwstelsel dat de neuronen [zenuwcellen] bevat.

De kersverse jongleurs gingen handiger om met de verwerking van visuele informatie, zoals het inschatten van afstanden bij het gooien van ballen. Jongleren blijkt dus goed voor het vergroten van inzicht. Bovendien prikkelt het het voorstellingsvermogen, net als musiceren, schilderen en borduren, ook vaardigheden waarbij precieze handcoördinatie samen gaat met concentratie.

Binnen de hersenwetenschap wordt de laatste tijd veel studie gedaan naar taken die met twee handen worden uitgevoerd [bimanuele coördinatie]. Interessant is dat de bewegingen van de handen niet onafhankelijk van elkaar geschieden, omdat de hersenhelften elkaar beïnvloeden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het “spiegelbewegingeffect”, wanneer een jong kind een éénhandige taak moet uitvoeren. Heeft het in allebei de handen een balletje vast, en moet het in één ervan knijpen, dan zal het meestal automatisch ook in het andere knijpen.

Beek: “Dat is een uiting van communicatie tussen de hersenhelften. Om een dergelijke taak te kunnen uitvoeren, moeten je hersenen deze beïnvloeding leren onderdrukken. Kinderen kunnen dat pas vanaf een jaar of tien, wanneer de verbinding tussen de hersenhelften is volgroeid. Doordat die helften niet onafhankelijk werken, zijn taken waarbij de handen elk een eigen beweging uitvoeren meestal lastig. Denk aan met beide handen een ander ritme drummen of verschillende ruimtelijke figuren maken.”

De handen gelijk op en neer bewegen, en recht tegen elkaar in, zijn bimanuele taken die de mens bevallen. Met andere patronen hebben we meer moeite. Onze hersenen zoeken een bepaalde eenvoud. Dat neemt niet weg dat we zelfs moeilijke taken, zoals jongleren, toch kunnen aanleren. Al is het maar omdat onze hersenen erom vragen.

Bron: Algemeen Dagblad, 26 april 2006

Jongleren is goed voor samenwerking L+R hersenhelft

We verwaarlozen vaak onze rechter hersenhelft. Maar hoe kan je die rechterkant van je hersenen wat meer te gaan gebruiken? Want als onze twee hersenhelften even hard inzetten en samen laten werken, zorgt dat voor de grootste capaciteiten en de beste resultaten. Een heel goeie en leuke manier om je twee hersenhelften te laten samen werken is jongleren.

Met drie ballen jongleren is veel minder moeilijk dan het lijkt. Als je elke dag een paar minuten oefent, heb je het binnen enkele weken onder de knie. En je zal merken dat het heel leuk is om te doen.

Hoe begin je eraan? Wel, eerst zoek je drie ballen om mee te jongleren. Ideaal zijn echte jongleerballen (vind je in de betere speelgoedwinkel) maar het kan bijna even goed met tennisballen, stressballetjes of bijvoorbeeld sinaasappels. Die laatste eet je natuurlijk best op na je oefensessie, want in het begin zullen je jongleerballen vaak op de grond vallen.
Je begint best met één en daarna met twee ballen te oefenen. En daarna pas met drie.

Waarom is jongleren nu zo goed voor onze hersenen? Wel, dat komt omdat de rechterkant van ons lichaam door de linkerkant van onze hersenen wordt aangestuurd en omgekeerd. Als je bijvoorbeeld met je rechterhand een beweging maakt, zal het je linker hersenhelft zijn dat aanstuurt. En zet je je linkervoet vooruit, is het je rechter hersenhelft die je zenuwen en spieren prikkelt.

Als je jongleert, maak je met je rechter- en linkerarm dezelfde bewegingen. Om deze ritmische en gespiegelde bewegingen goed te kunnen uitvoeren moeten je linker en rechter hersenhelft dezelfde signalen uitsturen én moeten ze samenwerken. Je rechter hersenhelft wordt dus wat meer gestimuleerd zodat je twee hersenhelften even hard werken. En er ontstaat een soort communicatie tussen je twee hersenhelften. Dat zorgt voor een optimaal gebruik van je hersenen waar je het effect nog een tijdje van kan voelen.

Jongleren is dus ideaal als korte pauze tijdens het studeren of werken. Want je zorgt ervoor dat je twee hersenhelften weer wat beter samen kunnen werken. En dat zorgt voor de optimale combinatie van logica en gevoel, analyse en synthese, structuur en creativiteit.
Veel jongleer-plezier!

Bron: onbekend

De hersenen jongleren graag

Jongleren is een circuskunst. Echter, stelselmatig jongleren stelt ons in staat om onze hersenen te ontwikkelen, onze concentratie en coördinatie te verbeteren, en helpt ons om een goede lichaamshouding te behouden.

Elke keer als we thee drinken, onze schoenen aantrekken of de trap aflopen, staan we er niet bij stil hoe ingewikkeld de bewegingen die door ons lichaam worden uitgevoerd, zijn. We stellen alleen vragen over de precisie en perfectie van bewegingen wanneer we geweldige shows van kunstschaatsers, acrobaten of jongleurs bewonderen. Hun vaardigheden lijken onmogelijk voor gewone mensen, maar het blijkt dat vrijwel iedereen deze onder de knie kan krijgen. Bovendien toont neuropsychologisch onderzoek aan dat zulke schijnbaar rare en nutteloze vaardigheden zeer gunstig voor ons zijn.

Een ongewone ontdekking
Een team van wetenschappers van de Universiteit van Regensburg, onder leiding van Bogdan Draganski, heeft een experiment uitgevoerd waarvan de resultaten beroemd zijn geworden in de wereld van de neurowetenschappen. Onderzoekers verdeelden de proefpersonen in twee groepen. De eerste groep moest in een periode van drie maanden met drie ballen leren jongleren voor ten minste een minuut. De tweede groep onderging deze training niet. De onderzoekers hebben de hersenstructuren systematisch gescand met behulp van Magnetic Resonance Imaging (MRI) om beide groepen te vergelijken. Ze waren op zoek naar veranderingen in de grijze stof van de hersenen als gevolg van de regelmatige jongleer training. Na drie maanden zagen de onderzoekers bij de hersenen van de jongleergroep een significante toename van het volume van de grijze stof in de omgeving van de linker posterieure pariëtale cortex (gebied 3) en aan beide zijden van het midden-temporele deel van de hersenen (gebied 2). Deze gebieden zijn gespecialiseerd in onder andere de verwerking en het opslaan van informatie over hoe we voorwerpen waarnemen en anticiperen op hun beweging.

De resultaten van het experiment zijn om tenminste twee redenen interessant. Allereerst bewijst dit dat ontwikkeling van de hersenen mogelijk is, niet alleen tijdens onze kinderjaren, maar ook gedurende de latere fasen van ons leven. Ten tweede kan zich door zelfs schijnbaar zinloze oefeningen, zoals jongleren met drie ballen, hersenweefsel ontwikkelen op een soortgelijke wijze als gewichtheffen onze spieren ontwikkelt . Het is duidelijk dat deze waarnemingen van belang zijn voor de herstelmogelijkheden en de wederopbouw van beschadigd hersenweefsel tijdens tragische ongelukken of ziekten.

Rat race en hersen abracadabra
De resultaten van Draganski en zijn team bevestigen de bevindingen van eerder onderzoek naar samenhang tussen het gedrag van dieren en de ontwikkeling van hun hersenen. Marian Diamond van de Universiteit van Californië toonde aan dat ratten die in kooien vol met planken, trappen, en loopwielen leefden, een beter ontwikkeld netwerk van celverbindingen in de visuele cortex hebben dan ratten in lege kooien. Bovendien ontdekte Carl Cartman, een andere onderzoeker van de Universiteit van Californië, dat de hersenen van ratten die in loopwielen worden gehouden, een verhoogde hoeveelheid neurotrofinen produceren, dat zijn eiwitten die verantwoordelijk zijn voor de differentiatie en de groei van hersencellen en verbindingen tussen de neuronen. Deze resultaten suggereren dat de rijkdom van iemands ervaringen de ontwikkeling van iemands hersenen positief stimuleert.

De hersenarchitectuur van jongleren
In het experiment van Draganski zijn veranderingen waargenomen in die delen van de hersenen (de zogenaamde “geavanceerde perceptieve verwerking” gebieden) die verantwoordelijk zijn voor het opmerken van voorwerpen en het anticiperen van hun beweging. Een training van drie maanden stimuleerde de ontwikkeling van deze gebieden, die een nauwkeurige ‘beweging-ruimte’ kaart voor een bepaalde taak genereren. Echter, deze gebieden zijn verantwoordelijk voor slechts een fragment van de activiteit van de hersenen die nodig is voor jongleren. De extreme complexiteit van jongleren kan goed worden geïllustreerd met het aantal hersendelen dat bij jongleren betrokken is. Om de beweging van ballen in de lucht te coördineren, moeten onze hersenen de positie van de handen, het hoofd en het gehele lichaam plannen. Deze functies worden beheerd door de prefrontale cortex (gebied 1). Dit is de plaats waar het actieplan wordt gemaakt en waar het hele proces van jongleren wordt gecontroleerd. Dat is mogelijk dankzij een synthese van perceptieve gegevens (gebied 2) en informatie over de positie van het lichaam (gebied 3). Het totale plan voor de bewegingen wordt vervolgens doorgegeven aan de premotorische cortex (gebied 4). Tot de verantwoordelijkheden van dit gebied behoort ook de eerste fase van de verwerking van alle gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van een actie. Net als bij het piano spelen of het eten van een hamburger, is bij het in de lucht houden van drie ballen een complexe sequentie van bewegingen vereist. De coördinatie van deze reeks wordt beheerd door de zogenaamde aanvullende motorische cortex (gebied 5). Dan is de “goede jongleur” aan de beurt, dat is de motor cortex (gebied 6). Dankzij dit deel van de hersenen is de hele truc is mogelijk. Ook wordt een belangrijke rol in het hele proces ingenomen door de basale ganglia (gebied 7) en de kleine hersenen (gebied 8). De basale ganglia zijn voornamelijk verantwoordelijk voor het creëren van de opeenvolging van jongleerbewegingen, terwijl het cerebellum ons toelaat om onze balans te houden tijdens het jongleren, onze oogbewegingen te controleren, de volgorde van de bewegingen te programmeren en routine te brengen in de oorspronkelijk veeleisende en zeer complexe werking van het jongleren. Als de kleine hersenen zijn beschadigd dat kan een aanzienlijke vertraging bij het vangen van de ballen worden waargenomen. Dat heeft te maken met moeilijkheden bij het verplaatsen van de aandacht van de ogen van de ene bal naar de andere. De resterende delen van deze hersenpuzzel worden ingevuld door de hersenstam (gebied 9) en het ruggenmerg (gebied 10). Deze gebieden zijn verantwoordelijk voor het aansturen van de spieren die deelnemen aan het jongleren, de spierspanning en een juiste houding.

 Jongleren is voor iedereen
Psychologisch onderzoek ondersteunt de stelling dat jongleren gunstig is voor de hand-oog coördinatie, het gevoel voor ritme, de reflexen, het evenwichtsgevoel en een goede houding van het lichaam. Daarom is het niet verwonderlijk dat psychologen steeds vaker jongleren aanbevelen als een behandeling bij vele stoornissen. Bijvoorbeeld het Centre for Dyslexia, Dyspraxia and Attention Disorder (DDAT) in Kenilworth (Engeland), heeft in haar therapieën verschillende oefeningen opgenomen, zoals het vangen van ballen, jongleren en het balanceren op de rola-bola (een plank op een buis). Onderzoek uitgevoerd door Carole Smith suggereert dat jongleren – en de daaruit voortvloeiende verbeteringen in de hand-oog coördinatie – bijdragen aan de ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheid.

Ook veel leraren in Polen zijn overtuigd van de positieve effecten van jongleren. Zij moedigen kinderen aan om mee te doen aan verschillende ongebruikelijke activiteiten, die in het algemeen als circus pedagogie worden bestempeld. Door het leren van jongleren, acrobatische stunts, clownerie en pantomime, worden kinderen bewust van hun lichaam, worden ze de opeenvolging van complexe bewegingen meester en trainen ze hun concentratie.

Jongleren wordt nog steeds populairder onder volwassenen die in persoonlijke ontwikkeling geïnteresseerd zijn. Sinds het begin van de jaren 1980 worden managers en werknemers van bedrijven geleerd te jongleren tijdens bijeenkosten en workshops die gewijd zijn aan persoonlijke ontwikkeling, time management en projectmatig werken. In vele organisaties, zoals Bell Labs, Microsoft, Apple Corporation of Massachusetts Institute of Technology, zijn er actieve jongleer clubs. Steeds meer en vaker worden jongleer vaardigheden als vereiste gezien voor leidinggevend personeel. Het is ook vermeldenswaardig dat het werkwoord “jongleren” ook het vermogen om tegelijk met verschillende problemen om te gaan, kan betekenen. Het gooien van ballen kan dan ook als een prachtige metafoor gezien worden voor het realiseren van verschillende projecten tegelijk. Net zoals het toevoegen van een extra bal vraagt om een totale reorganisatie van het bewegingsverloop, dwingt de invoering van nieuwe taken ons op een vergelijkbare manier om het huidige plan van aanpak aan te passen.

Jongleren bleek ook een succesvolle manier om het stressniveau te verlagen. Jongleren introduceert een ontspannen staat van concentratie, waarin lichaam en geest op hetzelfde moment actief en in rust zijn. Een toenemend aantal artsen en therapeuten erkent de therapeutische waarde van jongleren. Carl Simonton, een arts en psycholoog, introduceerde jongleren bij patiënten in een van de ziekenhuizen in de VS als een manier om te ontspannen. Hij is van mening dat jongleren een goede therapie is om te voorkomen dat iemand zich met triviale zaken bezighoudt. Echter, bewustzijn van de gunstige gevolgen van het jongleren is niet genoeg om jongleren onderdeel te maken van onze dagelijkse activiteiten op school of werk. Afgezien van een goede leraar, duidelijke instructies, vastberadenheid, en een paar minuten vrije tijd, is het noodzakelijk om het vooroordeel te overwinnen dat jongleren alleen geschikt is voor straatgoochelaars en niet voor gewone mensen. Het is beter om dit vooroordeel te vervangen door een ander: een goed ontwikkeld stel hersenen, dat is te moeilijk voor mij. Je zult zien dat het veel gemakkelijker is om je van dit tweede vooroordeel te ontdoen. Veel succes bij je jongleer training!

Auteurs: Mirosław Urban, Paweł Fortuna, Piotr Markiewicz
Eerder gepubliceerd in Characters – Polish Psychological Magazine, 2005 nr. 5
Bron: http://benefits-of-juggling.blogspot.com