Jongleren en gezondheid

Over de werking van jongleren

Categorie Archieven: Gezondheid

Kinderen overwinnen dyslexie met jongleren

Een baanbrekende methode om mensen met dyslexie te behandelen lijkt een groep schoolkinderen van West Midlands te helpen om over hun leerstoornis heen te komen. Leerlingen van de Balsall Common Primary School bij Solihull werden in januari 2001 getest. Daarbij werd bij 40 kinderen een vorm van dyslexie vastgesteld. In de afgelopen twee jaar hebben de kinderen deelgenomen aan dagelijkse hand-oog coördinatie tests en oefeningen  zoals het vangen van beanbags en het balanceren op ‘wiebelborden’. De school beweert dat de nieuwe aanpak, die ontwikkeld is door de het Kenilworth Dyslexie Centrum, zeer succesvol is gebleken.

Hoofdmeester Trevor Davis zei dat de schoolprestaties van een aantal leerlingen die aan de oefeningen deelnamen, opmerkelijk waren. Hij zei dat er in veel gevallen sprake was van een verbetering van 300 tot 400%. De schoolresultaten verbeterden, maar ook – nog belangrijker – het gevoel van eigenwaarde.”

Jake Powell, die werd geïdentificeerd als iemand die last heeft van dyslexie, vertelde dat de aanpak bij hem heeft gewerkt. “Sinds ik met de oefeningen ben begonnen, zijn mijn niveaus omhoog gegaan”. Zijn vader John Powell is ook een fan van de behandeling. “Ik geloof dat het systeem werkt en ik denk dat het in het onderwijs geïntegreerd zou moeten worden “, zei hij.

Shirley Cramer, directeur van het Dyslexie Instituut dat kinderen op nationaal niveau test, zei dat ze graag wil dat op dit terrein meer onderzoek wordt gedaan. “Het is bemoedigend dat sommige kinderen verbeteringen laten zien, maar de onderzoekers die er naar hebben gekeken, zijn zeer kritisch over de methodiek “, zei ze. “We moeten meer langetermijn onderzoek doen om te begrijpen waarom het voor sommige kinderen wel werkt en voor anderen niet”.

Bron: http://news.bbc.co.uk/2/hi/uk_news/england/2714175.stm

Advertenties

Beweeg je brein

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt steeds duidelijker dat lichaamsbeweging niet alleen ons lijf maar ook ons brein in conditie houdt. Maar we bewegen almaar minder, tot spijt van prof. Erik Scherder. Beweging baat het brein van de wieg tot het graf, betoogt hij.  Onderstaand artikel gaat niet specifiek over jongleren, maar wie de positieve effecten daarvan wil begrijpen, moet ook naar de effecten van bewegen in het algemeen kijken.

Erik Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de VU Amsterdam, en hoogleraar bewegingswetenschappen in Groningen, hamert op het belang van lichaamsbeweging. Hij doet daar al jaren gedreven onderzoek naar; hij leeft het voor door zelf iedere dag een uur te fietsen, en hij loopt congressen af om zalen vol luisteraars voor te houden: Beweeg! Want dat is niet alleen goed voor je conditie, maar ook voor je de conditie van je brein.

“Je ziet de zaal dan altijd opveren”, zegt Scherder. “De meeste mensen weten niet dat je met lichaamsbeweging óók werkt aan je geheugen, aan je cognitieve functies. Lichaamsbeweging en cognitieve inspanning doen een beroep op dezelfde circuits in het brein; het betreft dezelfde neurale systemen. Verbindingen tussen hersengebieden waarvan we dachten dat ze alleen bedoeld zijn voor geheugenprocessen, blijken ook belangrijk te zijn voor motorische processen.”

Deze inzichten zijn niet nieuw, maar worden wel steeds duidelijker – onder wetenschappers althans, veel minder onder het grote publiek. ‘Lichaamsbeweging is bovenal een manier om je brein in conditie te brengen’, schrijft John Ratey, hoogleraar psychiatrie in Harvard, in zijn boek ‘Fit!’. ‘Spieren kweken, calorieën verbranden, hart en longen versterken: het zijn eigenlijk maar bijverschijnselen.’ Ook Ratey stelt: door te bewegen kun je je brein beïnvloeden. Beweging verbetert je leervermogen en geheugen, en blijkt heilzaam bij psychische klachten als stress, verslaving en depressiviteit. Zo is inmiddels voor depressie omstandig aangetoond dat running therapy een effectieve behandeling is.

Scherder knikt instemmend, en hoopt in de nabije toekomst te kunnen vaststellen of beweging óók beschermt tegen dementie. Uit epidemiologische onderzoeken blijkt dat dementie minder voorkomt bij mensen die hun hele leven lichamelijk actief zijn geweest, maar dit betekent nog niet dat hier een oorzakelijke relatie ligt: dat moet nader worden uitgezocht.

Is de energieke, sportieve prof van 59 jaar niet iets te optimistisch? Moeten we lichaamsbeweging als dé panacee gaan beschouwen tegen allerhande aandoeningen, van diabetes tot depressie en dementie? “Nee”, zegt Scherder nadrukkelijk, “ik wil juist voorzichtig blijven: het is géén Haarlemmer olie. Je hoort mij niet zeggen dat iedereen topsport moet gaan bedrijven en over zijn fysieke grenzen moet heengaan. Maar ik zeg wel: Word weer, of meer, lichamelijk actief. Dat heeft een gunstig effect op allerlei terreinen: op je weerstand, op je stemming; op de cognitieve kwetsbaarheid van ouderen, en op de cognitieve reserves die jongeren nog moeten opbouwen. Er zijn inmiddels talloze studies die deze positieve effecten laten zien.”

Helaas, weet Scherder al te goed, blijkt de laatste jaren de mate van activiteit bij gezonde kinderen en volwassenen alleen maar af te nemen. Het gemiddelde kind van tegenwoordig brengt door de week gemiddeld ruim zes uur per dag door achter een computer- of televisiescherm, en in het weekend meer dan zeven uur per dag. Van de volwassen Nederlanders haalt nog niet de helft de Norm Gezond Bewegen. Volgens deze norm moeten we iedere dag minimaal een half uur een ‘matig intensieve inspanning’ leveren, aan één stuk. Dus dertig minuten flink fietsen, zwemmen of wandelen – en niet alleen de hond uitlaten want dan sta je bij elke boom weer stil.

Scherder vindt het ‘zeer zorgelijk’ dat zo weinig mensen deze relatief bescheiden norm halen. “Ze denken misschien: ach, dan ben ik wat minder fit en krijg ik er wat kilo’s bij. Maar passiviteit heeft ook enorme consequenties voor je cognitieve functioneren, je stemming, je slaap-waakritme. Dat is van groot belang voor de kwaliteit van je leven nu, en in de toekomst. Hoe wil je ouder worden? Daar gaat het hier óók over!”

Hoe we ouder willen, of zullen, worden, dat beïnvloeden we al met onze mate van activiteit wanneer we nog heel jong zijn. Kinderen die op de basisschool extra lichamelijke inspanning verrichtten, lieten betere schoolprestaties zien dan vergelijkbare klasgenootjes die alleen de standaard gymlessen volgden.  Scherder: “Dat waren bescheiden bewegingsprogramma’s: rond een half uur extra bewegen per dag gaf al een significante verbetering. De aandacht en concentratie bij deze leerlingen verbeterden.”

Maakt bewegen ons dus ook al slimmer? Dat zou je best zo kunnen stellen, zegt Scherder. In ieder geval zorgt sporten voor een betere doorbloeding van het brein. “Met name de doorbloeding van de witte stof verbetert. Dat zijn de verbindingen in de hersenen die nodig zijn om nieuwe informatie en signalen te verwerken. De witte stof is kwetsbaar voor veroudering: op mijn leeftijd gaat die al achteruit. Ik merk dat doordat veel dingen wat trager gaan. Oudere mensen gaan langzamer lopen; ze denken ook langzamer. Maar”, – hij veert op en slaat strijdvaardig met zijn hand op tafel – ,,als ik zorg dat ik veel beweeg en dus een goede doorbloeding houd, dan rem ik dat proces.”

Een tweede belangrijke reden dat sporten ons slimmer, sneller en geconcentreerder kan maken is dat beweging een gunstig effect geeft op de neurotrofines in het brein – de ‘voedingsstoffen’ waardoor onze chemische huishouding beter functioneert. Scherder: “Dit is een soort Pokon voor de hersencellen: die zorgt voor betere netwerken.”

Lichaamsbeweging is voor kinderen en jongeren ook zo belangrijk omdat zij daarmee hun ‘cognitieve reserve’ aanleggen, betoogt de hoogleraar. “De prefrontale cortex in de hersenen ontwikkelt zich nog tot het 25ste levensjaar. Door te sporten versterk je de verbindingen in dat gebied. Dat geeft een buffer tegen aftakeling, want juist die prefrontale lob gaat bij ouderen als eerste achteruit.”

Zit een kind op een school die het uitdaagt, doet het aan sport, liefst ook aan muziek, dan komen er, dankzij deze ‘verrijkte omgeving’, meer vertakkingen in het jonge brein. “En daarmee wordt een reserve opgebouwd; je investeert daarmee in je toekomst, in je hele levensgeluk. Die verrijking kan nét het verschil maken, bijvoorbeeld dat je het gymnasium haalt.” Hij lacht en roept uit: “Ouders, maak u geen zorgen dat uw kind het te druk heeft, dat is juist prima!”

Gaat dat kind na het gymnasium misschien ook studeren, en krijgt het college van Erik Scherder, dan heeft hij ook voor deze groep weer een breinboodschap op maat: “Studenten, probeer nooit vier uur achter elkaar te studeren.” Het werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit, en na anderhalf uur is de aandacht weggezakt. Ga dan een half uur joggen, adviseert Scherder: daarna zit je twee keer zo efficiënt te blokken.

Die student wordt ouder, en – rond een jaar of veertig, vijftig – wat zwaarder, wat minder energiek. Wie ervoor zorgt dan lichamelijk actief te blijven – of te worden – vermindert zijn of haar risico op hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en suikerziekte. “Dat weten veel mensen wel”, zegt Scherder, “maar ze weten vaak niet dat juist dit belangrijke risicofactoren zijn voor dementie – de ziekte die voor iedereen een schrikbeeld is.”

Het is nooit te laat om te beginnen met bewegen, zegt hij geruststellend. Ook wie de 25 al ruimschoots is gepasseerd en dan pas de sportfiets ontdekt, verbetert daarmee nog zijn conditie, gezondheid, stemming – én vermindert het risico op dementie.

Bron: Trouw, Eveline Brandt − 27/03/11

 

Het effect van jongleertherapie op angststoornissen

In Japan is door de afdeling Psychosomatische Geneeskunde van de Universiteit Kagoshima in 2006 onderzoek gedaan naar het effect van jongleertherapie op vrouwelijke patiënten met angststoornissen. De uitkomsten tonen aan dat jongleren effectief kan zijn bij de behandeling van angststoornissen.

Verschillende therapieën, waaronder psychotherapie en cognitieve gedragstherapie zijn beschikbaar voor de behandeling van angststoornissen. Hoewel er in het verleden weinig onderzoek is gedaan naar alternatieve therapieën, rapporteren een aantal recente studies over hun werkzaamheid bij patiënten met posttraumatische stressstoornissen (PTSS), algemene angststoornissen door middel van kruidentherapie, angst- en stemmingsstoornissen door middel van verschillende complementaire therapieën, angststoornissen door middel van yoga therapie, en angststoornissen door meditatie en ontspanning. Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een integrale psychotherapeutische aanpak die telkens als effectief wordt beoordeeld voor de behandeling van verschillende angststoornissen, zoals PTSS, paniekstoornissen en fobieën. Hoewel tegenstrijdige uitkomsten zijn gerapporteerd voor de werkzaamheid van EMDR, wordt de werkzaamheid van deze therapie als laag tot matig beoordeeld. Aanvankelijk kwam uit onderzoek naar deze therapie naar voren dat het snel bewegen van de ogen van de ene kant naar de kant storende gedachten en de daarmee samenhangende angst vermindert. Momenteel worden ‘rapid eye movement’ methoden soms vervangen door ‘soepele achtervolgende’ oogbewegingen en bilaterale stimulatie. ‘Soepele achtervolgende’ oogbewegingen, bilaterale tikken en bilaterale tonen zijn even effectief gebleken als snelle oogbewegingen.

Jongleren (otedama) heeft een 3000-jarige geschiedenis in Japan. Het kwam voor het eerst voor in de Nara en Heian periode (8e – 9e eeuw). Tot op heden blijft dit ‘spel’ groeien in populariteit. Een eerder rapport heeft aangetoond dat het jongleren met drie ballen de groei van de grijze stof in het midden van de temporale kwab vergemakkelijkt. Een ander rapport suggereert dat de midtemporale kwab betrekking kan hebben op expliciete conditionering taken. Fysieke beweging in de vorm van meditatie en yoga therapie kan angst verminderen door middel van ontspanning. Met betrekking tot angststoornissen stelt een rapport dat de temporaalkwab betrokken is bij het ontstaan van een paniekaanval. Deze bevinding suggereert dat visuele informatie over beweging en fysieke beweging het psychoneurologische netwerk kunnen verbeteren.

Het onderhavige onderzoek is de eerste poging om het therapeutische effect van jongleren op angststoornissen aan te tonen. De hypothese is dat jongleertherapie bijdraagt aan verlaging van angst van de patiënt door veranderingen in de verwerking van het emotioneel geheugen.

De proefpersonen in deze studie waren 17 vrouwelijke poliklinische patiënten met angststoornissen, die aan de diagnostische criteria van de DSM-IV voldeden (6 voor paniekstoornissen, 4 voor PTSS, 4 voor obsessieve-compulsieve stoornissen en 3 voor algemene angststoornissen (GAD). Geen enkele proefpersoon had een drugs- of alcoholverslaving, of een andere comorbiditeit. Alle proefpersonen werden behandeld met standaard psychotherapie, medicatie en begeleiding. Tijdens de 6-maanden durende studie periode werden anxiolytica en antidepressiva voorgeschreven, maar de doses werden tijdens de studie niet gewijzigd. In de laatste 3 maanden van de behandeling, werden de proefpersonen random verdeeld in twee groepen. De ene groep kreeg jongleertherapie en de andere niet. De proefpersonen in de jongleergroep werd het klassieke cascade patroon met balletjes aangeleerd. Ze oefenden ongeveer 5 minuten, tweemaal per dag. Het verschil in het therapeutisch effect werd geschat met behulp van scores op de State-Trait Anxiety Inventory (STAI), Profile Of Mood Status (POMS) en Franchay Activity Index (FAI), die afgenomen werden vóór de behandeling, na 3 maanden van de behandeling (vóór de jongleertherapie), en aan het eind van beide behandelingen (na 6 maanden). Betrekking tot de statistische analyse werden de psychologische test scores vergeleken met behulp van een ANOVA voor herhaalde metingen en de Scheffe’s post hoc toets. Alle resultaten werden beschouwd als significant (bij p <0,05). Er werden geen verschillen tussen de 2 groepen waargenomen met betrekking tot demografische kenmerken.

De angstscores in de jongleergroep waren sterker afgenomen dan in de niet-jongleergroep. Deze bevinding suggereert dat jongleertherapie angst kan verminderen door verwerking van visuele bewegingsinformatie (EMDR). Er is gerapporteerd dat oogbewegingen angst-herinneringen verminderen of de levendigheid van deze herinneringen. Dit effect kan bij de jongleergroep tot een snellere ‘oplossing’ van angst en emotionele nood hebben geleid dan bij de niet-jongleergroep. De activiteit van de voorste cingularis cortex (ACC) en laterale prefrontale cortex (PFC) is gewijzigd bij personen met een hoger angst niveau en de dorsale regio van ACC is gerelateerd aan interoceptief bewustzijn. Dus een verbetering op angstscores door middel van jongleren kan het gevolg zijn van dergelijke veranderingen in de verwerking van emotioneel geheugen en lokale hersenactiviteit.

Aan de andere kant kunnen jongleren of vergelijkbare lichaamswerk therapieën de toestand van de patiënten hebben vergemakkelijkt door middel van ontspanning. Van lichaamswerk therapieën, zoals yoga, meditatie en ontspanning, is gerapporteerd dat ze effectief te zijn bij emotionele controle. Een verstoorde beheersing van de aandacht bij de dreiging van angst is eerder gevonden, dus de lichaamsgewaarwording bij jongleertherapie kan hebben bijgedragen om de aandacht beter te beheersen en het homeostatische proces te ondersteunen, zoals EMDR. Sinds stemming scores, zoals verwarring en vermoeidheid, niet verbeterden, kan jongleertherapie een specifieke en beperkte invloed hebben op de activiteit van de hersenen, evenals andere alternatieve therapieën.

Het onderzoek kent een aantal beperkingen. Ten eerste is, omdat het aantal deelnemers klein was, een brede definitie van angststoornis gebruikt. Maar er is gerapporteerd dat een angststoornis samengaat met andere pathologieën. Ten tweede, het therapeutische effect is alleen geschat met behulp van psychologische testen, zonder beoordeling van de hersenfunctie. Hypo- in plaats van hyperactivatie van de PFC is gemeld bij PTSS patiënten tijdens de welbespraaktheid test. Daarom is verder onderzoek met behulp van MRI, PET en/of SPECT nodig om te onderzoeken welke locaties in de hersenen verantwoordelijk zijn voor het therapeutische effect van jongleren.

Het onderzoek heeft het angstverlagende effect van jongleertherapie bij patiënten met angststoornissen aangetoond. Jongleertherapie kan gemakkelijk worden uitgevoerd in combinatie met andere vormen van therapie voor patiënten met een verhoogde angstniveaus.

bron: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1876467

Hoe het circus mijn leven redde

Een interessante TED talk door Philippa Vidafari die over haar ‘helende’ ervaringen met circusactiviteiten vertelt.  

Phillippa heeft in 2001 BandBazi opgericht, een met een prijs bekroond, multicultureel  uitvoerend gezelschap. Philippa volgde haar opleiding aan het Schots Koninklijke conservatorium. Nadat ze in diverse theaters had gespeeld, waaronder Royal Court Theatre in Londen, ging ze trainen als luchtacrobaat op The Circus Space in London.  Als artistiek directeur van BandBazi probeert zij het verhalende theater te integreren met luchtwerk wat het gezelschap noemt ‘Luchtdrama’ .

BandBazi heeft ook een multicultureel jeugdcircus (7-25 jaar) dat verbonden is aan het professionele gezelschap. De achtergrond van de jongeren is zeer divers, ook gehandicapten en  vluchtelingen doen mee. Ze  komen iedere zaterdag 2 uur lang bijeen om te oefenen in ontwerp, creatief schrijven, luchtacrobatiek en poi’s draaien. Philippa wil de creatieve talenten van de groep jongeren ontwikkelen en heeft met hen Phillippa inmiddels 5 circusvoorstellingen gemaakt. De groep jongeren schrijft ook liedjes, maakt films en houdt foto tentoonstellingen.

Dromenlijn

Dromenlijn

Droom je dat je aan het jongleren bent en met moeite alle ballen tegelijk in de lucht houdt? Dit geeft aan dat je op verschillende gebieden van je leven speels en vooral heel flexibel moet zijn om al je doelen en behoeften in harmonie met elkaar te kunnen brengen. Deze droom kan echter ook angst voor een beslissing of besluiteloosheid symboliseren.

Bron: http://myastrolive.com/gezondheid/dromen/J/Jongleren.aspx?country=nl

Een verhandeling over jongleren en gezondheid

 “Ga met deze drie ballen jongleren en bel me in de ochtend …”
Zou u niet graag uw arts die woorden horen zeggen en het menen? Nou, blijkbaar is er veel meer te doen rond jongleren dan op het eerste gezicht lijkt. Hier en daar zijn onderzoekers dingen over onze hersenen en organen te weten gekomen die er op duiden dat jongleren een waardevolle bijdrage kan leveren aan een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Een Princeton onderzoeker, Les Fehme (zie Brain/Mind Bulletin vol. 8, nr. 9. 1983), stelt dat we onze algemene prestaties in het leven kunnen verbeteren door verbreding van onze focus. Jongleren is een uitstekende manier om dat te doen. Hij beweert dat de meeste mensen een smalle focus hebben en een gebrek aan bewustzijn van hun eigen lichamelijke sensaties en  emoties. Deze smalle focus kan zeer boeiend en nuttig zijn, zoals bij praten over de telefoon, het besturen van een motorfiets of het krijgen van een massage. Het is alsof er niets anders bestaat, behalve dat. Bij het leren jongleren kan de smalle focus worden gericht op een bepaalde bal of kegel.

Deze smalle focus stemt overeen met de opmerkingen dat we leven in een maatschappij die de dingen ziet als fragmenten in plaats van holistisch. Maar dingen veranderen. En heel misschien helpt jongleren om dat te veranderen.
In 1983 heeft een Canadese onderzoeker, Justine Sergent, van de McGill University in Montreal, bewijs gevonden dat het idee dat de linker hersenen analytisch en rechter hersenhelft holistisch is, ontkracht. In plaats daarvan tonen haar bevindingen aan dat de linker hersenhelft beter is in gedetailleerde verwerking (de smalle focus) en de rechterhersenhelft in grotere aspecten van de waarneming. De bevindingen tonen ook aan dat beide zijden van de hersenen analytisch en holistisch zijn. Deze studie geeft wellicht ook een verklaring voor het feit dat er meer rechtshandige mensen zijn, namelijk omdat we als maatschappij het leven en de dingen als fragmenten zien (een bal of kegel in plaats van een patroon).

Maar wanhoop niet. Een ‘opvallende’ ontdekking van Brenda Spiegler, een onderzoeker van het kinderziekenhuis in Washington (zie Brain/Mind Bulletin vol. 19, no. 6, 1984) toont aan dat linkshandigheid toeneemt. Niet alleen dat, maar volgens een test uitgevoerd op het Mount Union College in Alliance, Ohio (zie Perspective vol. 2, no. 4. 1980), scoorden de linkshandigen hoger op creativiteit dan rechtshandigen, ongeacht hun leeftijd. Het ging om vier aspecten van creativiteit: flexibiliteit, welbespraaktheid, originaliteit en detaillering.
Aangezien de rechter hersenhelft normaliter geassocieerd wordt met creativiteit, is elke activiteit die helpt bij het ontwaken van deze onderdrukte hersenhelft zeker welkom. Begin te jongleren! Wie durft te beweren dat jongleren geen gebruik van beide zijden van de hersenen maakt? Beide handen worden bij jongleren gebruikt, of niet?

Jongleurs leren in een smalle focus situatie. Herinner hoe de meeste mensen beginnen te lezen. Allereerst leren ze de letters (de bal of kegel) te herkennen. Dan leren ze het woord (het jongleerpatroon) te herkennen. Echter, zodra het basis jongleerpatroon (het woord) is geleerd, dan kan de focus verschuiven naar een hoger vaardigheidsniveau (de woorden worden een zin). Een voorbeeld hiervan is een jongleur op een rola-bola.
Als een volleerd jongleur een nieuw kunstje wil leren, moet de focus opnieuw smal zijn, de bal of kegel moet de aandacht krijgen (een linker hersenhelft activiteit). Net als een beginner, moet hij of zij zich richten op het gooien van een kegel met een dubbele spin vanuit de rechterhand voordat de linkerhand een kegel achter de rug langs kan gooien.

Jongleren, zoals het leven zelf, lijkt een paradox. Om te vangen moeten we niet reiken. Om het patroon te zien, moeten we niet naar de delen kijken. Om te leren moeten we afleren.
Afleren van wat? Stoppen met gewoonten. Stoppen en bewust worden wanneer iets lukt, maar in staat te zijn om te pauzeren wanneer je merkt dat niet goed gaat. Dit cruciale moment van pauzeren is volgens Michael Gelb, auteur van Body Learning (zie Brain Mind Bulletin vol. 9, no. 3, 1984) wanneer een gedachte opkomt, en het zijn deze gedachten die onze oude gewoonten zullen doorbreken. We moeten ook anderen die bekwaam zijn, observeren. Beelden van excellentie zien er altijd gemakkelijk uit. “Experts laten wat ze doen er altijd eenvoudig uitzien,” zegt Gelb. Kijk vervolgens hoe het voelt om die taak te doen, te leren met je lichaam. Kunt u jongleren nadat je drie boeken over jongleren hebt gelezen? En na vijf of twintig?

Bij het mensen leren jongleren, leren ze sneller wanneer ze gevraagd worden om elke keer als ze iets verkeerd hebben gedaan, dat te vertellen. In het begin hebben ze geen besef van hun verkeerde bewegingen. Als ze die eenmaal herkennen, kunnen ze die elimineren.

Is het mogelijk dat ik meer van het jongleren maak dan het werkelijk inhoudt? In 1984 zond de Public Broadcasting System zond een serie van acht programma’s uit, getiteld “The Brain”. Op een bepaalde avond toonden ze hoe energie beweegt langs neuronen horizontaal van de achter- naar de voorkant van de hersenen voor het gezichtsvermogen. En energie beweegt van boven naar beneden, ofwel verticaal, voor beweging. Terwijl dit alles werd uitgelegd, was een jongleur gezien op het scherm. Ik vroeg me af waarom ze een jongleur gebruikten om deze delicate werking de hersenen te illustreren. Volgens Bonnie Benjamin, een woordvoerster van de producenten van de serie, werd de scène werd gebruikt om te illustreren waar twee paden in de hersenen samenkomen: zicht en beweging. George Page, verteller van de serie, zei het volgende: “Het aanleggen van paden is de kern van alle geleerde beweging. De hersenen moeten telkens weer experimenteren voordat het de beste route van de ene zenuwcel naar de andere kan ontdekken. Bij het uitvoeren van een handeling waarbij zicht belangrijk is, moeten twee systemen, zicht en beweging, uitvinden waar en hoe ze elkaar kruisen. Een voor een, verbinden de neuronen zich met elkaar. Een verbinding wordt verlengd. Spoedig is het een spoor en uiteindelijk een pad. Samenwerking tussen deze twee routes kan alleen worden bereikt door middel van herhaling.”

Daarom kan je alleen leren jongleren door te oefenen. De eenvoudigste beweging vereist een complex elektrisch/chemisch circuit in de hersenen. Onderzoek naar dit circuit wordt steeds een belangrijker onderdeel van de neurowetenschappen. Misschien zullen neurochirurgen op een dag een jongleur elektronisch aansluiten op een monitor en de activiteit van neuronen kunnen volgen die tijdens het jongleren heen en weer gaat tussen de twee hersenhelften… op de grootste van alle paden in de hersenen – het corpus callosum.

Oefenen lijkt het sleutelwoord in “deze jongleer kwestie”. Neurowetenschappen vertellen ons dat oefening de gewenste paden in de hersenen creëert of bouwt. Maar speelt er nog meer mee? Mogelijk. Morfogenetische velden. Morfische resonantie. Bijnaam: M-velden. Het is een theorie die wetenschappelijk is getest door dr. Rupert Sheldrake uit Engeland. In essentie zegt hij dat door het creëren van een fysiek pad in je hersenen niet alleen jijzelf een betere jongleur wordt, maar er ook voor zorgt dat anderen beter kunnen worden, via het  M-veld.

Maar we zijn een volk dat onszelf graag onder druk zet, zelfs als we weten dat het maar om een spelletje gaat. Hoe kunnen we dan leren jongleren, deze nieuwe informatie in ons opnemen, met minder stress? Nou, er zijn ten minste twee artsen die daar een mening of een gevoel over hebben. Op een conferentie in Chicago in 1983 met als titel “De genezende kracht van de lach en het spel” begon dr. Carl Simonton zijn lezing voor ongeveer 750 mensen met korte instructie hoe te jongleren. Vervolgens werden aan elke persoon drie marshmallows uitgedeeld. Op een teken vlogen 2250 marshmallows rond op zoek naar het M-veld patroon! Onnodig te zeggen dat dr Simonton een statement had gemaakt. Jongleren is leuk.

Dr. Steve Allen Jr. geeft workshops in stressmanagement. Hij gebruikt jongleren niet alleen als een belangrijke instrument voor stressverlaging, maar hij voegt eraan toe dat “er iets krachtigs in herhalende oefeningen zoals jongleren zit,” als ze betrekking hebben op de gezondheid. Bovendien, maakt Dr Allen gebruik van jongleren om stress te verminderen, omdat het de ‘creatieve kracht van dwaasheid’ naar boven brengt, die oorspronkelijk werd gedefinieerd als ‘gezegend, welvarend en gezond’. Toch, het belangrijkste punt van dr Allen voor zijn cliënten/patiënten is: “houdt het gewoon leuk … en speel!”

Er zullen altijd mensen zijn die een heel duidelijk doel willen of moeten hebben om te gaan jongleren voordat ze het uitproberen. Dus voor deze groep… rapporteert Healthwise magazine dat Dartmouth Medical School heeft aangetoond dat roeien de beste oefening is als het om maximale aerobe stimulatie gaat. De reden voor het onderzoek was om erachter te komen wat voor activiteiten oude mensen (85 jaar en ouder) zouden kunnen doen die bijgedragen aan een langere levensduur. Ze keken ook naar joggers en dirigenten. De conclusie die de schrijver uit het Dartmouth onderzoek trok, was dat “het verstandig zou zijn om elke dag armoefeningen uit te voeren en de muziek die we thuis beluisteren zelf te dirigeren.” Dus begin nu met jongleren; een armoefening, zoals er geen andere is.

Auteur: George Niedzialkowski  (zie www.juggling.org/jw/86/1/health.html)

Beweging houdt het brein fit

Lichamelijke activiteit is goed voor het brein. Wie kent die reflexen niet, wanneer je bijvoorbeeld iets heets aanraakt? Op dat moment gaat er een signaal naar de hersenen. Die sturen op hun beurt pijlsnel een signaal terug naar de spieren: terugtrekken die hand! Zo’n beweging gaat bijna automatisch. Bijna niemand realiseert zich dat de hersenen de basis vormen voor het aansturen van de spieren. Reden genoeg voor de Hersenstichting om de Nationale Hersenweek in 2008 het motto Hersenen in beweging mee te geven.
Prof. dr. Peter Beek van de faculteit Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit was één van de sprekers tijdens de Hersenweek.

Uit onderzoek van de Universiteit van Dublin blijkt dat bewegen goed is voor het brein. Door [intensieve] inspanning komt in de hersenen een stofje in actie met de naam BDNF [Brain Derived Neurotrophic Factor]. Dat eiwit bevordert niet alleen de vorming van nieuwe hersencellen en de verbindingen daartussen, maar er gaat ook een preventieve werking vanuit: het helpt hersencellen te overleven. Zo heeft lichamelijke activiteit mogelijk een gunstig effect op het voorkomen van ziekten als die van Parkinson en Alzheimer.

Prof. dr. Peter Beek plaatst wel een kanttekening bij de relatie tussen hersenen en bewegen. Volgens hem is niet alleen lijfelijke inspanning belangrijk. Voor de hersenen is een combinatie van lichamelijke én geestelijke training, het beste.

Beek: “Die twee moeten samengaan of elkaar afwisselen. Allebei zorgen ze voor een continue reuring in het brein, waarbij cellen met elkaar wedijveren om bij een activiteit betrokken te raken. Onderzoek aan onder meer de VU wijst uit dat bij een hersenbeschadiging gedeeltelijk herstel kan ontstaan door zowel het lichaam als de hersenen te trainen. Wie een leven lang intensief heeft bewogen én gedacht, met een gezonde geest in een gezond lichaam, is bijvoorbeeld beter bestand tegen de gevolgen van een beroerte dan iemand die dat niet heeft gedaan.”

Volgens Beek hebben alle manieren van bewegen een positief effect op het brein, of het nu om voetbal, tai chi of dansen gaat. Bewezen is dat bewegen goed is voor bot- en spiercellen. Maar, zo blijkt uit onderzoek van het Salk Instituut in Californië, bewegen heeft waarschijnlijk ook een gunstige uitwerking op zenuwcellen. Momenteel doet onder andere het Universitair Medisch Centrum te Utrecht hier nader onderzoek naar. Eén ding staat vast: dagelijks komen er nieuwe hersencellen en verbindingen bij en worden er oude opgeruimd.

“Het brein is geen statisch geheel zoals lang werd gedacht,” zegt Beek. Sommige cellen zijn succesvol en gaan een functionele eenheid vormen, andere cellen bezwijken. Deels hebben we zelf in de hand hoe onze hersenen zich ontwikkelen. Je bent hoe je beweegt, zal ik maar zeggen. Het brein is qua structuur een optelsom van de dingen waartoe we ons hebben gezet. Om een leven lang te kunnen leren, zijn de hersenen voortdurend in ontwikkeling.”

De hersenen hebben verschillende functies. Evenwicht, coördinatie en concentratie zijn de belangrijkste. Door middel van oefeningen kunnen we deze hersenfuncties trainen. Zo zijn wandelen en nordic walking [langlaufen zonder sneeuw], effectieve middelen om te werken aan meer balans. Van wandelen is al aangetoond dat het helpt tegen depressies. Ook jongleren is goed voor de hersenen. Dat blijkt volgens Beek uit onderzoek aan de Duitse Universiteit van Jena, waarbij 24 studenten in twee groepen waren verdeeld.

“De eerste groep leerde drie maanden lang jongleren, de tweede groep ging gewoon naar college. Van alle proefpersonen werden voor en na het leren de hersenen gescand, en bij de tweede groep waren geen veranderingen waarneembaar in het brein. Bij de jongleursgroep daarentegen bleek zich meer grijze stof in de hersenen te bevinden; het deel van het centraal zenuwstelsel dat de neuronen [zenuwcellen] bevat.

De kersverse jongleurs gingen handiger om met de verwerking van visuele informatie, zoals het inschatten van afstanden bij het gooien van ballen. Jongleren blijkt dus goed voor het vergroten van inzicht. Bovendien prikkelt het het voorstellingsvermogen, net als musiceren, schilderen en borduren, ook vaardigheden waarbij precieze handcoördinatie samen gaat met concentratie.

Binnen de hersenwetenschap wordt de laatste tijd veel studie gedaan naar taken die met twee handen worden uitgevoerd [bimanuele coördinatie]. Interessant is dat de bewegingen van de handen niet onafhankelijk van elkaar geschieden, omdat de hersenhelften elkaar beïnvloeden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het “spiegelbewegingeffect”, wanneer een jong kind een éénhandige taak moet uitvoeren. Heeft het in allebei de handen een balletje vast, en moet het in één ervan knijpen, dan zal het meestal automatisch ook in het andere knijpen.

Beek: “Dat is een uiting van communicatie tussen de hersenhelften. Om een dergelijke taak te kunnen uitvoeren, moeten je hersenen deze beïnvloeding leren onderdrukken. Kinderen kunnen dat pas vanaf een jaar of tien, wanneer de verbinding tussen de hersenhelften is volgroeid. Doordat die helften niet onafhankelijk werken, zijn taken waarbij de handen elk een eigen beweging uitvoeren meestal lastig. Denk aan met beide handen een ander ritme drummen of verschillende ruimtelijke figuren maken.”

De handen gelijk op en neer bewegen, en recht tegen elkaar in, zijn bimanuele taken die de mens bevallen. Met andere patronen hebben we meer moeite. Onze hersenen zoeken een bepaalde eenvoud. Dat neemt niet weg dat we zelfs moeilijke taken, zoals jongleren, toch kunnen aanleren. Al is het maar omdat onze hersenen erom vragen.

Bron: Algemeen Dagblad, 26 april 2006

De hersenen jongleren graag

Jongleren is een circuskunst. Echter, stelselmatig jongleren stelt ons in staat om onze hersenen te ontwikkelen, onze concentratie en coördinatie te verbeteren, en helpt ons om een goede lichaamshouding te behouden.

Elke keer als we thee drinken, onze schoenen aantrekken of de trap aflopen, staan we er niet bij stil hoe ingewikkeld de bewegingen die door ons lichaam worden uitgevoerd, zijn. We stellen alleen vragen over de precisie en perfectie van bewegingen wanneer we geweldige shows van kunstschaatsers, acrobaten of jongleurs bewonderen. Hun vaardigheden lijken onmogelijk voor gewone mensen, maar het blijkt dat vrijwel iedereen deze onder de knie kan krijgen. Bovendien toont neuropsychologisch onderzoek aan dat zulke schijnbaar rare en nutteloze vaardigheden zeer gunstig voor ons zijn.

Een ongewone ontdekking
Een team van wetenschappers van de Universiteit van Regensburg, onder leiding van Bogdan Draganski, heeft een experiment uitgevoerd waarvan de resultaten beroemd zijn geworden in de wereld van de neurowetenschappen. Onderzoekers verdeelden de proefpersonen in twee groepen. De eerste groep moest in een periode van drie maanden met drie ballen leren jongleren voor ten minste een minuut. De tweede groep onderging deze training niet. De onderzoekers hebben de hersenstructuren systematisch gescand met behulp van Magnetic Resonance Imaging (MRI) om beide groepen te vergelijken. Ze waren op zoek naar veranderingen in de grijze stof van de hersenen als gevolg van de regelmatige jongleer training. Na drie maanden zagen de onderzoekers bij de hersenen van de jongleergroep een significante toename van het volume van de grijze stof in de omgeving van de linker posterieure pariëtale cortex (gebied 3) en aan beide zijden van het midden-temporele deel van de hersenen (gebied 2). Deze gebieden zijn gespecialiseerd in onder andere de verwerking en het opslaan van informatie over hoe we voorwerpen waarnemen en anticiperen op hun beweging.

De resultaten van het experiment zijn om tenminste twee redenen interessant. Allereerst bewijst dit dat ontwikkeling van de hersenen mogelijk is, niet alleen tijdens onze kinderjaren, maar ook gedurende de latere fasen van ons leven. Ten tweede kan zich door zelfs schijnbaar zinloze oefeningen, zoals jongleren met drie ballen, hersenweefsel ontwikkelen op een soortgelijke wijze als gewichtheffen onze spieren ontwikkelt . Het is duidelijk dat deze waarnemingen van belang zijn voor de herstelmogelijkheden en de wederopbouw van beschadigd hersenweefsel tijdens tragische ongelukken of ziekten.

Rat race en hersen abracadabra
De resultaten van Draganski en zijn team bevestigen de bevindingen van eerder onderzoek naar samenhang tussen het gedrag van dieren en de ontwikkeling van hun hersenen. Marian Diamond van de Universiteit van Californië toonde aan dat ratten die in kooien vol met planken, trappen, en loopwielen leefden, een beter ontwikkeld netwerk van celverbindingen in de visuele cortex hebben dan ratten in lege kooien. Bovendien ontdekte Carl Cartman, een andere onderzoeker van de Universiteit van Californië, dat de hersenen van ratten die in loopwielen worden gehouden, een verhoogde hoeveelheid neurotrofinen produceren, dat zijn eiwitten die verantwoordelijk zijn voor de differentiatie en de groei van hersencellen en verbindingen tussen de neuronen. Deze resultaten suggereren dat de rijkdom van iemands ervaringen de ontwikkeling van iemands hersenen positief stimuleert.

De hersenarchitectuur van jongleren
In het experiment van Draganski zijn veranderingen waargenomen in die delen van de hersenen (de zogenaamde “geavanceerde perceptieve verwerking” gebieden) die verantwoordelijk zijn voor het opmerken van voorwerpen en het anticiperen van hun beweging. Een training van drie maanden stimuleerde de ontwikkeling van deze gebieden, die een nauwkeurige ‘beweging-ruimte’ kaart voor een bepaalde taak genereren. Echter, deze gebieden zijn verantwoordelijk voor slechts een fragment van de activiteit van de hersenen die nodig is voor jongleren. De extreme complexiteit van jongleren kan goed worden geïllustreerd met het aantal hersendelen dat bij jongleren betrokken is. Om de beweging van ballen in de lucht te coördineren, moeten onze hersenen de positie van de handen, het hoofd en het gehele lichaam plannen. Deze functies worden beheerd door de prefrontale cortex (gebied 1). Dit is de plaats waar het actieplan wordt gemaakt en waar het hele proces van jongleren wordt gecontroleerd. Dat is mogelijk dankzij een synthese van perceptieve gegevens (gebied 2) en informatie over de positie van het lichaam (gebied 3). Het totale plan voor de bewegingen wordt vervolgens doorgegeven aan de premotorische cortex (gebied 4). Tot de verantwoordelijkheden van dit gebied behoort ook de eerste fase van de verwerking van alle gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van een actie. Net als bij het piano spelen of het eten van een hamburger, is bij het in de lucht houden van drie ballen een complexe sequentie van bewegingen vereist. De coördinatie van deze reeks wordt beheerd door de zogenaamde aanvullende motorische cortex (gebied 5). Dan is de “goede jongleur” aan de beurt, dat is de motor cortex (gebied 6). Dankzij dit deel van de hersenen is de hele truc is mogelijk. Ook wordt een belangrijke rol in het hele proces ingenomen door de basale ganglia (gebied 7) en de kleine hersenen (gebied 8). De basale ganglia zijn voornamelijk verantwoordelijk voor het creëren van de opeenvolging van jongleerbewegingen, terwijl het cerebellum ons toelaat om onze balans te houden tijdens het jongleren, onze oogbewegingen te controleren, de volgorde van de bewegingen te programmeren en routine te brengen in de oorspronkelijk veeleisende en zeer complexe werking van het jongleren. Als de kleine hersenen zijn beschadigd dat kan een aanzienlijke vertraging bij het vangen van de ballen worden waargenomen. Dat heeft te maken met moeilijkheden bij het verplaatsen van de aandacht van de ogen van de ene bal naar de andere. De resterende delen van deze hersenpuzzel worden ingevuld door de hersenstam (gebied 9) en het ruggenmerg (gebied 10). Deze gebieden zijn verantwoordelijk voor het aansturen van de spieren die deelnemen aan het jongleren, de spierspanning en een juiste houding.

 Jongleren is voor iedereen
Psychologisch onderzoek ondersteunt de stelling dat jongleren gunstig is voor de hand-oog coördinatie, het gevoel voor ritme, de reflexen, het evenwichtsgevoel en een goede houding van het lichaam. Daarom is het niet verwonderlijk dat psychologen steeds vaker jongleren aanbevelen als een behandeling bij vele stoornissen. Bijvoorbeeld het Centre for Dyslexia, Dyspraxia and Attention Disorder (DDAT) in Kenilworth (Engeland), heeft in haar therapieën verschillende oefeningen opgenomen, zoals het vangen van ballen, jongleren en het balanceren op de rola-bola (een plank op een buis). Onderzoek uitgevoerd door Carole Smith suggereert dat jongleren – en de daaruit voortvloeiende verbeteringen in de hand-oog coördinatie – bijdragen aan de ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheid.

Ook veel leraren in Polen zijn overtuigd van de positieve effecten van jongleren. Zij moedigen kinderen aan om mee te doen aan verschillende ongebruikelijke activiteiten, die in het algemeen als circus pedagogie worden bestempeld. Door het leren van jongleren, acrobatische stunts, clownerie en pantomime, worden kinderen bewust van hun lichaam, worden ze de opeenvolging van complexe bewegingen meester en trainen ze hun concentratie.

Jongleren wordt nog steeds populairder onder volwassenen die in persoonlijke ontwikkeling geïnteresseerd zijn. Sinds het begin van de jaren 1980 worden managers en werknemers van bedrijven geleerd te jongleren tijdens bijeenkosten en workshops die gewijd zijn aan persoonlijke ontwikkeling, time management en projectmatig werken. In vele organisaties, zoals Bell Labs, Microsoft, Apple Corporation of Massachusetts Institute of Technology, zijn er actieve jongleer clubs. Steeds meer en vaker worden jongleer vaardigheden als vereiste gezien voor leidinggevend personeel. Het is ook vermeldenswaardig dat het werkwoord “jongleren” ook het vermogen om tegelijk met verschillende problemen om te gaan, kan betekenen. Het gooien van ballen kan dan ook als een prachtige metafoor gezien worden voor het realiseren van verschillende projecten tegelijk. Net zoals het toevoegen van een extra bal vraagt om een totale reorganisatie van het bewegingsverloop, dwingt de invoering van nieuwe taken ons op een vergelijkbare manier om het huidige plan van aanpak aan te passen.

Jongleren bleek ook een succesvolle manier om het stressniveau te verlagen. Jongleren introduceert een ontspannen staat van concentratie, waarin lichaam en geest op hetzelfde moment actief en in rust zijn. Een toenemend aantal artsen en therapeuten erkent de therapeutische waarde van jongleren. Carl Simonton, een arts en psycholoog, introduceerde jongleren bij patiënten in een van de ziekenhuizen in de VS als een manier om te ontspannen. Hij is van mening dat jongleren een goede therapie is om te voorkomen dat iemand zich met triviale zaken bezighoudt. Echter, bewustzijn van de gunstige gevolgen van het jongleren is niet genoeg om jongleren onderdeel te maken van onze dagelijkse activiteiten op school of werk. Afgezien van een goede leraar, duidelijke instructies, vastberadenheid, en een paar minuten vrije tijd, is het noodzakelijk om het vooroordeel te overwinnen dat jongleren alleen geschikt is voor straatgoochelaars en niet voor gewone mensen. Het is beter om dit vooroordeel te vervangen door een ander: een goed ontwikkeld stel hersenen, dat is te moeilijk voor mij. Je zult zien dat het veel gemakkelijker is om je van dit tweede vooroordeel te ontdoen. Veel succes bij je jongleer training!

Auteurs: Mirosław Urban, Paweł Fortuna, Piotr Markiewicz
Eerder gepubliceerd in Characters – Polish Psychological Magazine, 2005 nr. 5
Bron: http://benefits-of-juggling.blogspot.com

Specifiek trainen

In de sportwereld is specifiek trainen een toverwoord. Het houdt in dat de coördinatie tijdens de training zoveel mogelijk moet lijken op die van de wedstrijd. De beste training voor wedstrijdschaatsen is dus het schaatsen zelf. Maar Jos de Koning, zo’n beetje de bekendste schaatsonderzoeker ter wereld, brengt hier tegen in: “Stel nou dat je bij de afzet in de bocht niet meer kunt wegdrukken dan zo’n honderd kilo, dan kun je rondjes rijden tot je een ons weegt, maar je afzet zal niet snel krachtiger worden. Je moet dan het krachthonk in. Daar druk je met gemak veel meer kilo’s weg, alleen is die beweging veel minder specifiek. Waar het optimum ligt in de verdeling tussen specifiek en aspecifiek, geen idee”

Orie, als bewegingswetenschapper opgeleid aan de VU, doet zelf onderzoek met zijn schaatsers, bijvoorbeeld naar hun ademhaling. “Van bergbeklimmers is bekend dat, hoe ervarener ze zijn, des te beter ze hun ademhaling afstemmen op het loopritme. Bij schaatsen moet het ritme van afzetten goed aansluiten op het ritme van de ademhaling. Hoe schaatsers dit doen weten we niet precies. Maar het lijkt er sterk op dat deze afstemming perfect verloopt als ze in topvorm zijn.” 

Een van de leermeesters van Orie aan de VU was prof dr Peter Beek. Beek is gespecialiseerd in coördinatie en heeft veel onderzoek gedaan bij jongleurs en drummers. Hij kiest ook de kant van De Koning. “Er is waarschijnlijk nog veel vooruitgang te boeken op het gebied van coördinatie. Bijvoorbeeld hoe we bewegingen aanleren. Een belangrijke discussie onder wetenschappers is het onderscheid tussen expliciet en impliciet leren. Van oudsher leren we sporters bewegingen expliciet aan, dat wil zeggen we beschrijven hoe ze de beweging moeten uitvoeren. Na veel oefenen kan de sporter de beweging gedachteloos uitvoeren, maar de kennis van de beweging is nog altijd aanwezig. Rich Masters liet begin jaren negentig in een experiment zien dat golfers die een beweging impliciet geleerd hebben, dus zonder dat ze specifieke kennis van de slag hebben, onder stress beter presteren dan sporters die de beweging expliciet hebben geleerd. Sporters met specifieke kennis hebben de neiging onder stress hun handelen opnieuw te gaan analyseren.” 

De Duitse onderzoekster Gabriële Wulf maakt onderscheid tussen sporters die intern en extern gericht zijn. Het laatste werkt beter. Skiërs die zich moesten concentreren op hun benen, presteerden minder dan skiërs die zich moesten focussen op de piste. Blijkbaar gaat het erom niet teveel na te denken over de beweging zelf. 

De Duitser Wolfgang Schöllhorn tenslotte gaat nog een stap verder. Beek: “Hij werkt veel met sporters en verbaast zich erover dat die vaak na verloop van tijd tegen een plafondwaarde aanlopen, ook al blijven ze trainen. Volgens Schöllhorn komt dit doordat ze hun ingestudeerde bewegingen te vaak herhalen. De hersenen zitten ‘vast’ in die beweging. Schöllhorn gaf goede amateurkogelstoters, die al tijden tegen hun plafond aan zaten, de opdracht om allerlei nieuwe rare bewegingen te maken voordat ze de kogel stootten. Het werkte, ze konden hun grens weer verleggen. Het idee erachter is dat het brein op te vatten is als een oplossingen genererende machine. Door de boel ‘op te schudden’ prikkel je de hersenen om weer naar nieuwe oplossingen te zoeken.” 

De Groningse onderzoeker dr Theo Mulder kan zich hier helemaal in vinden. Mulder, die werkt bij de faculteit bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, is auteur van het boek  De Geboren Aanpasser, dat handelt over het menselijk brein en veel gelezen wordt door trainers. Mulder, die zelf overigens niets met sport heeft, geeft aan dat het eindeloos herhalen van dezelfde beweging ook in zijn ogen averechts kan werken. “Een atleet die jarenlang op één plek traint, presteert minder als hij op een andere atletiekbaan een wedstrijd moet lopen. Mensen die lang op zee zijn geweest en daar moeiteloos hun taken uitvoeren, presteren minder als ze diezelfde taken plotseling op land moeten uitvoeren. De mens heeft adaptatietijd nodig. Daarom is het dus bijvoorbeeld heel verstandig om als voorbereiding op een wedstrijd tijdig te gaan trainen op de ijsbaan in Turijn en te wennen aan de omgeving. Maar beter is nog om altijd veel variatie aan te brengen in de training, door de hoeveelheid licht te variëren, geluid etcetera. Profgolfers trainen regelmatig op een andere ondergrond, zand, grind, rubber. De vader van de bewegingswetenschappen, Nikolai Bernstein, zei altijd learning is repetition without repetition.” 

Wellicht kunnen jongleurs deze tips ook toepassen. Ieder podium is qua ruimte en belichting anders. Train dus niet altijd in dezelfde omgeving.

Bron: http://www.nwtonline.nl/00/NT/nl/47/artikel/2218/Sneller__hoger_minder.html

Jongleren traint heel het brein

Jongleren heeft diverse voordelen, zowel in fysiek als sociaal opzicht. Wanneer het ingevoegd wordt in het lesprogramma, kan het ook positieve effecten op de schoolprestaties van leerlingen hebben. Hieronder worden maar liefst 15 voordelen toegelicht.

1. Jongleren oefent en integreert de linker en rechter hersenhelft
Wanneer je voor het eerst leert jongleren, dan breek je het leerproces op in kleine stappen. Je gebruikt dan volgens psychologen je linker hersenhelft, de logische, analytische en smal gerichte aandacht kant. Als je eenmaal hebt geleerd te jongleren, dan ga je meer de rechter hersenhelft gebruiken, de kant die meer intuïtief en holistisch is. Wanneer dit gebeurt, wordt jongleren meer een automatisme en werkt het ontspannend. Sommigen noemen dit bewegingsmeditatie. De afwisseling van beweging van de linker en rechterkant van het lichaam verandert letterlijk onze focus van rechts naar links en omgekeerd.

2. Onderzoek heeft relatie tussen hand-oog coördinatie en schrijf- en leesvaardigheid aangetoond
Scholen geven les in jongleren om theoretisch onderwijs te ondersteunen. De ogen bewegen van links naar rechts en vice versa, en de beweging verbetert concentratie, stimuleert het doorzien van opeenvolgende reeksen en vergroot het kunnen volgen van dingen met de ogen.

3. Onderzoek heeft aangetoond dat de verbindende cellen in de hersenen altijd kunnen aangroeien
Zenuwcellen zijn bestemd om door nieuwe prikkels gestimuleerd te worden waardoor een rijke hersenstructuur wordt opgebouwd. Het leren van nieuwe dingen creëert een reserve van samengepakte connecties die ons gedeeltelijk beschermen tegen celverlies zoals bij de ziekte van Altzheimer het geval is. Onderzoekers zeggen dat de hersenen het meeste baat hebben bij het leren van exotische en ongewone dingen. En wat is meer exotisch dan jongleren?

4. Jongleren is een opsteker voor het zelfvertrouwen
Jongleren geeft kinderen en volwassenen een tastbaar bewijs van een prestatie. Wanneer leerlingen in staat zijn om voor volwassenen en andere leerlingen op te treden, dan neemt het de zelfvertrouwen een hoge vlucht. Het feit dat we iets niets hebben geleerd dat tot voor kort nog onmogelijk leek, leidt er toe dat we nog eens met een andere blik naar dingen kijken waarvan we dachten dat we het niet konden. Het werpt nieuw licht op al onze overtuigingen over wat mogelijk is.

5. Leerlingen die regelmatig energiek bewegen pakken theoretische taken daarna beter op
In het lesprogramma kunnen pauzes worden ingeroosterd die door de leerlingen zelf ingevuld worden. Omdat elke leerling in zijn eigen tempo werkt, met z’n eigen materiaal en in een omgeving die inspanning en prestaties beloond, is de activiteit heel veilig en niet storend.

6. Jongleren maakt van iedereen een deelnemer
We hebben de neiging om onszelf vanaf het 12e jaar in te delen bij toeschouwers of deelnemers. Bij jongleren speelt iedereen mee. Jongleren is niet competitief wanneer het individueel wordt gedaan en vraagt om samenwerking wanneer twee of meer mensen samen iets doen. Voor veel volwassenen is het de eerste fysieke vaardigheid die ze sinds lange tijd weer leren.

7. Jongleren is leuk
Vanuit een spelsituatie hebben mensen altijd het beste geleerd. Jongleren haalt mensen uit hun mentale ‘groeven’ en helpt ze om open te staan voor nieuwe ideeën en mogelijkheden.

8 Jongleren biedt een effectieve ‘hersenpauze’ die vergelijkbaar is met ‘er een nachtje over slapen’
Jongleren wordt in het bedrijfsleven gebruikt om de creativiteit te vergroten en als innovatieve methode bij het oplossen van problemen.

9 Jongleren activeert de hersenen
Een groot deel van de leerlingen hangt thuis alleen op de bank voor de tv en op de meeste scholen slapen ze in de schoolbanken verder. Jongleren krijgt leerlingen in beweging waardoor ze veel zuurstof in hun hersenen krijgen.

10. Iedereen kan meedoen
Jongleren is een activiteit waarin zowel mannen als vrouwen expert kunnen worden en waarbij grootte en kracht geen voordelen zijn. Iedereen kan deelnemen, zelfs degenen die gewoonlijk door atleten genegeerd worden. Omdat jongleren een individuele sport/kunst is, is het moeilijk om negatieve vergelijkingen te maken over de vaardigheden van anderen. Lof is onderdeel van het proces.

11. Jongleren is een geweldig model voor het leren in het algemeen
We leren jongleren door het oprapen van de ene gevallen bal na de andere. Het is niet door succes, maar door de vele kleine foutjes (gevallen ballen) dat we het leren. We leren van die kleine foutjes en blijven het proberen tot we het onder de knie hebben. Door te jongleren leren we dat we met oefening, geduld en volharding grote dingen voor elkaar kunnen te krijgen.

12. Voor jongleren is weinig ruimte nodig
Leerlingen hebben niet meer ruimte nodig dan hun eigen schoollokaal en misschien een klein gedeelte van de gang of een deel van het schoolplein, wanneer het stadium van de jongleerdoekjes voorbij zijn. Volwassenen kunnen discreet naar een rustig deel van het kantoor gaan en daar rustig oefenen met jongleerdoekjes. Het benodigde materiaal kan gemakkelijk meegenomen worden.

13. Jongleren heeft een grote spin-off naar het leren van andere fysieke vaardigheden
Veel atleten hebben geleerd dat jongleren hun reflexen en ruimtelijk bewustzijn verbetert, evenals hun nauwkeurigheid bij het gooien, vertrouwen bij het vangen en het intern beleven van schoonheid en ritme.

14. Jongleren verruimt de mogelijkheden van het onderwijsprogramma
Jongleren is niet alleen voor atleten en kunstenaars. Iedereen is een leerling omdat er altijd nog meer te leren valt. Iedereen kan een onderwijzer worden en leerlingen groeien door volwassenen hun nieuw verworven kunsten te leren. Daarom leren leerlingen als ze bij het onderwijsprogramma worden betrokken, veel meer dan wanneer ze alleen door een leraar worden onderwezen.

15. Jongleren is een perfecte metafoor voor het leven in het algemeen
We worden continu gevraagd om meer projecten, prioriteiten en mensen ‘in de lucht te houden’. Leren jongleren is een perfecte manier om de stress van onze mentale balanceer kunsten te verlichten.

Bron: ‘Juggling and whole brain training’ van Laurie Young en Kay Caskey (Laughter works)